Vertalingen voor 'plakte'

Voor 'plakte' werden 28 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afplakken | plakte af [afplakte] -- heeft afgeplakt | abkleben | klebte ab [abklebte] -- hat abgeklebt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [door aanplakbiljetten bekendmaken] affichieren | affichierte -- hat affichiert | [Schweiz]
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [met kit vasthechten] ankitten | kittete an [ankittete] -- hat angekittet |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [met lijm vasthechten] anklatschen | klatschte an [anklatschte] -- hat angeklatscht |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [met lijm vasthechten] ankleben | klebte an [anklebte] -- hat angeklebt |
afplakken | plakte af [afplakte] -- heeft afgeplakt | ankleben | klebte an [anklebte] -- hat angeklebt |
vastplakken | plakte vast [vastplakte] -- heeft vastgeplakt | ankleben | klebte an [anklebte] -- hat angeklebt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [met lijm vasthechten] ankleistern | kleisterte an [ankleisterte] -- hat angekleistert |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [met lijm vasthechten] anpappen | pappte an [anpappte] -- hat angepappt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [door aanplakbiljetten bekendmaken] anschlagen | schlug an [anschlug] -- hat angeschlagen |
opplakken | plakte op [opplakte] -- heeft opgeplakt | aufkleben | klebte auf [aufklebte] -- hat aufgeklebt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [door aanplakbiljetten bekendmaken] aushängen | hängte aus [aushängte] -- hat ausgehängt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [met lijm vasthechten] drankleben | klebte dran [dranklebte] -- hat drangeklebt |
plakken | plakte -- heeft geplakt | einfügen | fügte ein [einfügte] -- hat eingefügt | [EDV]
inplakken | plakte in [inplakte] -- heeft ingeplakt | einkleben | klebte ein [einklebte] -- hat eingeklebt |
vastplakken | plakte vast [vastplakte] -- heeft vastgeplakt | festkleben | klebte fest [festklebte] -- hat festgeklebt |
plakken | plakte -- heeft geplakt | flicken | flickte -- hat geflickt | [Reifen]
vastplakken | plakte vast [vastplakte] -- heeft vastgeplakt | haften | haftete -- hat gehaftet | [kleben]
plakken | plakte -- heeft geplakt | kleben | klebte -- hat geklebt |
vastplakken | plakte vast [vastplakte] -- heeft vastgeplakt | kleben | klebte -- hat geklebt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | [door aanplakbiljetten bekendmaken] plakatieren | plakatierte -- hat plakatiert |
afplakken | plakte af [afplakte] -- heeft afgeplakt | verkleben | verklebtehat verklebt |
dichtplakken | plakte dicht [dichtplakte] -- heeft dichtgeplakt | verkleben | verklebtehat verklebt |
vastplakken | plakte vast [vastplakte] -- heeft vastgeplakt | verkleben | verklebtehat verklebt |
afplakken | plakte af [afplakte] -- heeft afgeplakt | zukleben | klebte zu [zuklebte] -- hat zugeklebt |
dichtplakken | plakte dicht [dichtplakte] -- heeft dichtgeplakt | zukleben | klebte zu [zuklebte] -- hat zugeklebt |
aanplakken | plakte aan [aanplakte] -- heeft aangeplakt | kleben bleiben
vastplakken | plakte vast [vastplakte] -- heeft vastgeplakt | kleben bleiben | blieb kleben [klebenblieb] -- ist kleben geblieben |
[alte Rechtschreibung:]
klebenbleiben | blieb kleben [klebenblieb] -- ist klebengeblieben |
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. plakten

Deutsch