Übersetzungen für 'streckte'

Für 'streckte' wurden 29 Übersetzung(en) gefunden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
uitstrekken | strekte uit [uitstrekte] -- heeft uitgestrekt | ausstrecken | streckte aus [ausstreckte] -- hat ausgestreckt |
uitsteken | stak uit [uitstak] -- heeft uitgestoken | ausstrecken | streckte aus [ausstreckte] -- hat ausgestreckt | [Hand]
omhoogsteken | stak omhoog [omhoogstak] -- heeft omhooggestoken | emporstrecken | streckte empor [emporstreckte] -- hat emporgestreckt |
uitstrekken | strekte uit [uitstrekte] -- heeft uitgestrekt | [naar iemand] entgegenstrecken | streckte entgegen [entgegenstreckte] -- hat entgegengestreckt |
uitsteken | stak uit [uitstak] -- heeft uitgestoken | herausstrecken | streckte heraus [herausstreckte] -- hat herausgestreckt | [Zunge]
toesteken | stak toe [toestak] -- heeft toegestoken | [aanreiken] hinstrecken | streckte hin [hinstreckte] -- hat hingestreckt |
neerstrekken | strekte neer [neerstrekte] -- heeft neergestrekt | hinstrecken | streckte hin [hinstreckte] -- hat hingestreckt | [niederstrecken]
omhoogsteken | stak omhoog [omhoogstak] -- heeft omhooggestoken | hochstrecken | streckte hoch [hochstreckte] -- hat hochgestreckt |
neerschieten | schoot neer [neerschoot] -- heeft neergeschoten | niederstrecken | streckte nieder [niederstreckte] -- hat niedergestreckt |
neerstrekken | strekte neer [neerstrekte] -- heeft neergestrekt | niederstrecken | streckte nieder [niederstreckte] -- hat niedergestreckt |
neersteken | stak neer [neerstak] -- heeft neergestoken | niederstrecken | streckte nieder [niederstreckte] -- hat niedergestreckt | [mit einem Messer]
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | niederstrecken | streckte nieder [niederstreckte] -- hat niedergestreckt | [töten]
neervellen | velde neer [neervelde] -- heeft neergeveld | [doden] niederstrecken | streckte nieder [niederstreckte] -- hat niedergestreckt | [z.B. Personen]
uitsteken | stak uit [uitstak] -- heeft uitgestoken | rausstrecken | streckte raus [rausstreckte] -- hat rausgestreckt | [umgangssprachlich] [Zunge]
strekken | strekte -- heeft gestrekt | strecken | streckte -- hat gestreckt |
rekken | rekte -- heeft gerekt | strecken | streckte -- hat gestreckt | [Arbeit]
uitsmeren | smeerde uit [uitsmeerde] -- heeft uitgesmeerd | [over een langere tijd] strecken | streckte -- hat gestreckt | [Vorrat / Ration]
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | strecken | streckte -- hat gestreckt | [Waffen]
faseren | faseerde -- heeft gefaseerd | strecken | streckte -- hat gestreckt | [Zeit]
uitrekken | rekte uit [uitrekte] -- heeft uitgerekt | strecken | streckte -- hat gestreckt | [dehnen]
aanlengen | lengde aan [aanlengde] – heeft aangelengd | strecken | strecktehat gestreckt |
naar voren steken vorstrecken | streckte vor [vorstreckte] -- hat vorgestreckt |
uitsteken | stak uit [uitstak] -- heeft uitgestoken | vorstrecken | streckte vor [vorstreckte] -- hat vorgestreckt |
voorschieten | schoot voor [voorschoot] -- heeft voorgeschoten | vorstrecken | streckte vor [vorstreckte] -- hat vorgestreckt | [Geld]
Zusammensetzungen
zich uitstrekken | strekte zich uit [zich uitstrekte] -- heeft zich uitgestrekt | sich ausstrecken | streckte sich aus [sich ausstreckte] -- hat sich ausgestreckt |
zich uitstrekken | strekte zich uit [zich uitstrekte] -- heeft zich uitgestrekt | sich hinstrecken | streckte sich hin [sich hinstreckte] -- hat sich hingestreckt |
zich uitrekken | rekte zich uit [zich uitrekte] -- heeft zich uitgerekt | sich strecken | streckte sich [sich streckte] -- hat sich gestreckt |
rijzelen | rijzelde -- heeft gerijzeld | [zich oprichten] sich strecken | streckte sich [sich streckte] -- hat sich gestreckt | [z.B. Roggen]
vooroverbuigen | boog voorover [vooroverboog] -- is voorovergebogen | sich vorstrecken | streckte sich vor [sich vorstreckte] -- hat sich vorgestreckt |
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl: