Vertalingen voor 'legde'

Voor 'legde' werden 103 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | abgeben | gab ab [abgab] -- hat abgegeben | [Erklärung]
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | ablegen | legte ab [ablegte] -- hat abgelegt | [auch Eid / Prüfung]
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | [enten] abmoosen | mooste ab [abmooste] -- hat abgemoost |
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | abstatten | stattete ab [abstattete] -- hat abgestattet | [Besuch]
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | abstreifen | striff ab [abstriff] -- hat abgestriffen |
[alternativ:]
abstreifen | streifte ab [abstreifte] -- hat abgestreift | [Unart]
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | abwerfen | warf ab [abwarf] -- hat abgeworfen | [eine Maske]
aanleggen | legde aan [aanlegde] -- heeft aangelegd | anlegen | legte an [anlegte] -- hat angelegt |
bijleggen | legde bij [bijlegde] -- heeft bijgelegd | applanieren | applanierte -- hat applaniert |
wegleggen | legde weg [weglegde] -- heeft weggelegd | [opbergen] aufbewahren | bewahrte auf [aufbewahrte] -- hat aufbewahrt |
opleggen | legde op [oplegde] -- heeft opgelegd | aufbürden | bürdete auf [aufbürdete] -- hat aufgebürdet |
openleggen | legde open [openlegde] -- heeft opengelegd | aufdecken | deckte auf [aufdeckte] -- hat aufgedeckt |
opleggen | legde op [oplegde] -- heeft opgelegd | auferlegen | erlegte auf [auferlegte] -- hat auferlegt |
wegleggen | legde weg [weglegde] -- heeft weggelegd | [opbergen] aufheben | hob auf [aufhob] -- hat aufgehoben |
openleggen | legde open [openlegde] -- heeft opengelegd | aufschlagen | schlug auf [aufschlug] -- hat aufgeschlagen |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | aufzeichnen | zeichnete auf [aufzeichnete] -- hat aufgezeichnet |
overleggen | legde over [overlegde] -- heeft overgelegd | [overhandigen] aushändigen | händigte aus [aushändigte] -- hat ausgehändigt |
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen | [eine Uniform]
bijleggen | legde bij [bijlegde] -- heeft bijgelegd | beilegen | legte bei [beilegte] -- hat beigelegt |
bijleggen | legde bij [bijlegde] -- heeft bijgelegd | bereinigen | bereinigte -- hat bereinigt | [Streit]
gereedleggen | legde gereed [gereedlegde] -- heeft gereedgelegd | bereitlegen | legte bereit [bereitlegte] -- hat bereitgelegt |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | bestimmen | bestimmte -- hat bestimmt |
leggen | legde -- heeft gelegd | betten | bettete -- hat gebettet |
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | betten | bettete -- hat gebettet |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | beurkunden | beurkundete -- hat beurkundet |
blootleggen | legde bloot [blootlegde] -- heeft blootgelegd | bloßlegen | legte bloß [bloßlegte] -- hat bloßgelegt |
openleggen | legde open [openlegde] -- heeft opengelegd | bloßlegen | legte bloß [bloßlegte] -- hat bloßgelegt |
voorleggen | legde voor [voorlegde] -- heeft voorgelegd | darlegen | legte dar [darlegte] -- hat dargelegt |
uitleggen | legde uit [uitlegde] -- heeft uitgelegd | deuten | deutete -- hat gedeutet |
toeleggen | legde toe [toelegde] -- heeft toegelegd | [erop toegeven] draufzahlen | zahlte drauf [draufzahlte] -- hat draufgezahlt |
inleggen | legde in [inlegde] -- heeft ingelegd | einbetten | bettete ein [einbettete] -- hat eingebettet |
inleggen | legde in [inlegde] -- heeft ingelegd | einlegen | legte ein [einlegte] -- hat eingelegt |
inleggen | legde in [inlegde] -- heeft ingelegd | einmachen | machte ein [einmachte] -- hat eingemacht |
inleggen | legde in [inlegde] -- heeft ingelegd | einnähen | nähte ein [einnähte] -- hat eingenäht |
inleggen | legde in [inlegde] -- heeft ingelegd | einwecken | weckte ein [einweckte] -- hat eingeweckt |
uitleggen | legde uit [uitlegde] -- heeft uitgelegd | erklären | erklärte -- hat erklärt |
openleggen | legde open [openlegde] -- heeft opengelegd | erschließen | erschloss -- hat erschlossen |
[alte Rechtschreibung:]
erschließen | erschloß -- hat erschlossen |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | festhalten | hielt fest [festhielt] -- hat festgehalten |
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | festhalten | hielt fest [festhielt] -- hat festgehalten | [schriftlich]
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | festlegen | legte fest [festlegte] -- hat festgelegt |
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | festlegen | legte fest [festlegte] -- hat festgelegt | [schriftlich]
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | festmachen | machte fest [festmachte] -- hat festgemacht |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | fixieren | fixierte -- hat fixiert |
vrijleggen | legde vrij [vrijlegde] -- heeft vrijgelegd | freilegen | legte frei [freilegte] -- hat freigelegt |
blootleggen | legde bloot [blootlegde] -- heeft blootgelegd | freilegen | legte frei [freilegte] -- hat freigelegt |
vrijleggen | legde vrij [vrijlegde] -- heeft vrijgelegd | freipräparieren | präparierte frei [freipräparierte] -- hat freipräpariert |
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | herrichten | richtete her [herrichtete] -- hat hergerichtet | [Leiche]
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | hinlegen | legte hin [hinlegte] -- hat hingelegt |
leggen | legde -- heeft gelegd | hinlegen | legte hin [hinlegte] -- hat hingelegt |
leggen | legde -- heeft gelegd | lagern | lagerte -- hat gelagert | [betten]
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | lagern | lagerte -- hat gelagert | [betten]
leggen | legde -- heeft gelegd | legen | legte -- hat gelegt |
leggen | legde -- heeft gelegd | machen | machte -- hat gemacht | [Knoten]
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | [enten] markottieren | markottierte -- hat markottiert |
naleggen | legde na [nalegde] -- heeft nagelegd | nachlegen | legte nach [nachlegte] -- hat nachgelegt |
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | niederlegen | legte nieder [niederlegte] -- hat niedergelegt |
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | niederlegen | legte nieder [niederlegte] -- hat niedergelegt |
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | niederstrecken | streckte nieder [niederstreckte] -- hat niedergestreckt | [töten]
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | registrieren | registrierte -- hat registriert |
toeleggen | legde toe [toelegde] -- heeft toegelegd | [dichtleggen] schließen | schloss -- hat geschlossen |
[alte Rechtschreibung:]
schließen | schloß -- hat geschlossen |
dichtleggen | legde dicht [dichtlegde] -- heeft dichtgelegd | schließen | schloss -- hat geschlossen |
[alte Rechtschreibung:]
schließen | schloß -- hat geschlossen |
leggen | legde -- heeft gelegd | schürzen | schürzte -- hat geschürzt |
stilleggen | legde stil [stillegde] -- heeft stilgelegd | stilllegen | legte still [stilllegte] -- hat stillgelegt |
[alte Rechtschreibung:]
stillegen | legte still [stillegte] -- hat stillgelegt | [Betriebe]
stilleggen | legde stil [stillegde] -- heeft stilgelegd | stillsetzen | setzte still [stillsetzte] -- hat stillgesetzt |
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | strecken | streckte -- hat gestreckt | [Waffen]
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | umlegen | legte um [umlegte] -- hat umgelegt | [töten]
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | umnieten | nietete um [umnietete] -- hat umgenietet | [töten]
voorleggen | legde voor [voorlegde] -- heeft voorgelegd | unterbreiten | unterbreitete -- hat unterbreitet |
aanleggen | legde aan [aanlegde] -- heeft aangelegd | verlegen | verlegte -- hat verlegt |
leggen | legde -- heeft gelegd | verlegen | verlegte -- hat verlegt | [Kabel / Schienen / Fliesen / Parkett]
opleggen | legde op [oplegde] -- heeft opgelegd | verpflichten | verpflichtete -- hat verpflichtet |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | verplanen | verplante -- hat verplant | [Geld]
uitleggen | legde uit [uitlegde] -- heeft uitgelegd | verstehen | verstand -- hat verstanden |
vastleggen | legde vast [vastlegde] -- heeft vastgelegd | vertäuen | vertäute -- hat vertäut |
voorleggen | legde voor [voorlegde] -- heeft voorgelegd | vorlegen | legte vor [vorlegte] -- hat vorgelegt |
overleggen | legde over [overlegde] -- heeft overgelegd | [overhandigen] vorlegen | legte vor [vorlegte] -- hat vorgelegt |
overleggen | legde over [overlegde] -- heeft overgelegd | [overhandigen] vorweisen | wies vor [vorwies] -- hat vorgewiesen |
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | waschen | wusch -- hat gewaschen | [Leiche]
wegleggen | legde weg [weglegde] -- heeft weggelegd | weglegen | legte weg [weglegte] -- hat weggelegt |
toeleggen | legde toe [toelegde] -- heeft toegelegd | [dichtleggen] zudecken | deckte zu [zudeckte] -- hat zugedeckt |
dichtleggen | legde dicht [dichtlegde] -- heeft dichtgelegd | zudecken | deckte zu [zudeckte] -- hat zugedeckt |
toeleggen | legde toe [toelegde] -- heeft toegelegd | [erop toegeven] zulegen | legte zu [zulegte] -- hat zugelegt |
wegleggen | legde weg [weglegde] -- heeft weggelegd | [sparen] zurücklegen | legte zurück [zurücklegte] -- hat zurückgelegt |
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | zurücklegen | legte zurück [zurücklegte] -- hat zurückgelegt | [Weg]
opzijleggen | legde opzij [opzijlegde] -- heeft opzijgelegd | zurücklegen | legte zurück [zurücklegte] -- hat zurückgelegt | [sparen]
wegleggen | legde weg [weglegde] -- heeft weggelegd | zurücklegen | legte zurück [zurücklegte] -- hat zurückgelegt | [z.B. ein Buch in einem Laden oder Geld zum Sparen]
bijeenleggen | legde bijeen [bijeenlegde] -- heeft bijeengelegd | zusammenlegen | legte zusammen [zusammenlegte] -- hat zusammengelegt |
toeleggen | legde toe [toelegde] -- heeft toegelegd | [erop toegeven] zusetzen | setzte zu [zusetzte] -- hat zugesetzt |
toeleggen | legde toe [toelegde] -- heeft toegelegd | [zijn best doen] anlegen auf | legte auf ... an [auf ... anlegte] -- hat auf ... angelegt |
opzijleggen | legde opzij [opzijlegde] -- heeft opzijgelegd | beiseite legen | legte beiseite [beiseite legte] -- hat beiseite gelegt |
blootleggen | legde bloot [blootlegde] -- heeft blootgelegd | die Karten aufdecken [p]
aanleggen | legde aan [aanlegde] -- heeft aangelegd | eine Pause machen / Pause machen
openleggen | legde open [openlegde] -- heeft opengelegd | geöffnet hinlegen
lamleggen | legde lam [lamlegde] -- heeft lamgelegd | lahm legen | legte lahm [lahm legte] -- hat lahm gelegt |
[alte Rechtschreibung:]
lahmlegen | legte lahm [lahmlegte] -- hat lahmgelegt |
stilleggen | legde stil [stillegde] -- heeft stilgelegd | lahm legen | legte lahm [lahm legte] -- hat lahm gelegt |
[alte Rechtschreibung:]
lahmlegen | legte lahm [lahmlegte] -- hat lahmgelegt | [Verkehr / Netzwerk]
openleggen | legde open [openlegde] -- heeft opengelegd | offen hinlegen
blootleggen | legde bloot [blootlegde] -- heeft blootgelegd | offen legen | legte offen [offen legte] -- hat offen gelegt |
[alte Rechtschreibung:]
offenlegen | legte offen [offenlegte] -- hat offengelegt |
wegleggen | legde weg [weglegde] -- heeft weggelegd | [voorbeschikken] vorbehalten sein
opzijleggen | legde opzij [opzijlegde] -- heeft opzijgelegd | auf die hohe Kante legen [sparen]
opzijleggen | legde opzij [opzijlegde] -- heeft opzijgelegd | zur Seite legen / auf die Seite legen [sparen]
Zusammensetzungen
zich vastleggen | legde zich vast [zich vastlegde] -- heeft zich vastgelegd | sich festlegen | legte sich fest [sich festlegte] -- hat sich festgelegt |
zich toeleggen op | legde zich op ... toe [zich op ... toelegde] -- heeft zich op ... toegelegd | sich verlegen auf | verlegte sich auf [sich auf ... verlegte] -- hat sich auf ... verlegt |
Redewendungen
neerleggen | legde neer [neerlegde] -- heeft neergelegd | kalt machen [töten]
Beispiele
De afkoopclausule in het arbeidscontract legde een vast bedrag vast voor de vroegtijdige beëindiging. Die Abkaufklausel im Arbeitsvertrag legte eine feste Summe für die vorzeitige Beendigung fest.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. legde af

Deutsch