Übersetzungen für 'zog'

Für 'zog' wurden 226 Übersetzung(en) gefunden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
aftrekken | trok af [aftrok] -- heeft afgetrokken | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
stropen | stroopte -- heeft gestroopt | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
afstropen | stroopte af [afstroopte] -- heeft afgestroopt | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
aftellen | telde af [aftelde] -- heeft afgeteld | [aftrekken] abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
pellen | pelde -- heeft gepeld | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
korten | kortte -- heeft gekort | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
verzetten | verzette -- heeft verzet | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen |
afdrukken | drukte af [afdrukte] -- heeft afgedrukt | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [Fotos]
afhouden | hield af [afhield] -- heeft afgehouden | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [Geld]
afhalen | haalde af [afhaalde] -- heeft afgehaald | [halen] abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [Tapete]
uitzuigen | zoog uit [uitzoog] -- heeft uitgezogen | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [ausbeuten]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [vom Preis]
stencilen | stencilde -- heeft gestencild | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [von Vorlage]
afmarcheren | marcheerde af [afmarcheerde] -- is afgemarcheerd | [wegmarcheren] abziehen | zog ab [abzog] -- ist abgezogen |
wegtrekken | trok weg [wegtrok] – is weggetrokken | abziehen | zog ab [abzog] -- ist abgezogen | [militärisch]
vertrekken | vertrok -- is vertrokken | abziehen | zog ab [abzog] -- ist abgezogen | [weggehen]
aantrekken | trok aan [aantrok] -- heeft aangetrokken | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen |
aankleden | kleedde aan [aankleedde] -- heeft/is aangekleed | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen |
aanhalen | haalde aan [aanhaalde] -- heeft aangehaald | [vaster maken] anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [Kleidung]
omhooggaan | ging omhoog [omhoogging] -- is omhooggegaan | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [Preisen]
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [Schraube]
aanschroeven | schroefde aan [aanschroefde] -- heeft aangeschroefd | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [eine Schraube]
vastdraaien | draaide vast [vastdraaide] -- heeft vastgedraaid | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [z.B. Schrauben]
ophalen | haalde op [ophaalde] -- heeft opgehaald | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
grootbrengen | bracht groot [grootbracht] -- heeft grootgebracht | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
omhoogtrekken | trok omhoog [omhoogtrok] -- heeft/is omhooggetrokken | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
opwinden | wond op [opwond] -- heeft opgewonden | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
optrekken | trok op [optrok] -- heeft/is opgetrokken | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
opfokken | fokte op [opfokte] -- heeft opgefokt | [grootbrengen] aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
opsteken | stak op [opstak] -- heeft opgestoken | [m.b.t. vlag hissen] aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
opdraaien | draaide op [opdraaide] -- heeft opgedraaid | [opwinden] aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
opspannen | spande op [opspande] -- heeft opgespannen | [spannen] aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
opkweken | kweekte op [opkweekte] -- heeft opgekweekt | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen | [auch Tiere]
omhooghalen | haalde omhoog [omhooghaalde] -- heeft omhooggehaald | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen | [hochziehen]
opzetten | zette op [opzette] -- heeft opgezet | aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat/ist aufgezogen |
lostrekken | trok los [lostrok] -- heeft losgetrokken | [opentrekken] aufziehen | zog auf [aufzog] -- ist aufgezogen |
opentrekken | trok open [opentrok] -- heeft opengetrokken | aufziehen | zog auf [aufzog] -- ist aufgezogen |
aanrukken | rukte aan [aanrukte] -- is aangerukt | aufziehen | zog auf [aufzog] -- ist aufgezogen | [z.B. ein Gewitter]
uitkleden | kleedde uit [uitkleedde] -- heeft uitgekleed | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen |
uitschuiven | schoof uit [uitschoof] -- heeft uitgeschoven | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen | [Kleidung]
afleggen | legde af [aflegde] -- heeft afgelegd | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen | [eine Uniform]
ontkleden | ontkleedde -- heeft ontkleed | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen | [entkleiden]
lostrekken | trok los [lostrok] -- heeft losgetrokken | ausziehen | zog aus [auszog] -- ist ausgezogen |
verhuizen | verhuisde -- is verhuisd | ausziehen | zog aus [auszog] -- ist ausgezogen |
uittrekken | trok uit [uittrok] -- heeft/is uitgetrokken | ausziehen | zog aus [auszog] -- ist ausgezogen |
vertrekken | vertrok -- is vertrokken | ausziehen | zog aus [auszog] -- ist ausgezogen | [Hotelgast]
het blanke wapen trekken blankziehen | zog blank [blankzog] -- hat blankgezogen |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | blankziehen | zog blank [blankzog] -- hat blankgezogen | [Kleidung eiligst ausziehen]
goed afronden durchziehen | zog durch [durchzog] -- hat durchgezogen |
afschuiven | schoof af [afschoof] -- heeft afgeschoven | durchziehen | zog durch [durchzog] -- hat durchgezogen | [Klettersport]
doorgaan | ging door [doorging] -- is doorgegaan | durchziehen | zog durch [durchzog] -- ist durchgezogen |
voorbijtrekken | trok voorbij [voorbijtrok] -- is voorbijgetrokken | durchziehen | zog durch [durchzog] -- ist durchgezogen |
doortrekken | trok door [doortrok] -- heeft/is doorgetrokken | [door iets heen reizen] durchziehen | zog durch [durchzog] -- ist durchzogen |
innen | inde -- heeft geïnd | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen |
verbeurdverklaren | verklaarde verbeurd [verbeurdverklaarde] -- heeft verbeurdverklaard | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen |
in beslag nemen einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen |
inwinnen | won in [inwon] -- heeft ingewonnen | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen |
invorderen | vorderde in [invorderde] -- heeft ingevorderd | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen |
incasseren | incasseerde -- heeft geïncaseerd | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen |
minderen | minderde -- heeft geminderd | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen | [Segel]
heffen | hief -- heeft geheven | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen | [Steuern]
intrekken | trok in [introk] -- heeft ingetrokken | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen | [auch Pflanzentriebe]
inpalmen | palmde in [inpalmde] -- heeft ingepalmd | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen | [ein Tau]
confisqueren | confisqueerde -- heeft geconfisqueerd | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen | [konfiszieren]
oproepen | riep op [opriep] -- heeft opgeroepen | einziehen | zog ein [einzog] -- hat eingezogen | [militärisch]
zijn intrek nemen einziehen | zog ein [einzog] -- ist eingezogen |
binnentrekken | trok binnen [binnentrok] -- is binnengetrokken | einziehen | zog ein [einzog] -- ist eingezogen |
betrekken | betrok -- heeft betrokken | einziehen | zog ein [einzog] -- ist eingezogen | [Wohnung]
inhuizen | huisde in [inhuisde] -- is ingehuisd | einziehen | zog ein [einzog] -- ist eingezogen | [in eine Wohnung]
omhoogtrekken | trok omhoog [omhoogtrok] -- heeft/is omhooggetrokken | emporziehen | zog empor [emporzog] -- hat emporgezogen |
voorbijtrekken | trok voorbij [voorbijtrok] -- is voorbijgetrokken | entlangziehen | zog entlang [entlangzog] -- ist entlanggezogen |
vastdraaien | draaide vast [vastdraaide] -- heeft vastgedraaid | festziehen | zog fest [festzog] -- hat festgezogen | [z.B. Schrauben]
wegtrekken | trok weg [wegtrok] – is weggetrokken | fortziehen | zog fort [fortzog] -- ist fortgezogen |
opvoeden | voedde op [opvoedde] -- heeft opgevoed | großziehen | zog groß [großzog] -- hat großgezogen |
grootbrengen | bracht groot [grootbracht] -- heeft grootgebracht | großziehen | zog groß [großzog] -- hat großgezogen |
opfokken | fokte op [opfokte] -- heeft opgefokt | [grootbrengen] großziehen | zog groß [großzog] -- hat großgezogen |
opbrengen | bracht op [opbracht] -- heeft opgebracht | großziehen | zog groß [großzog] -- hat großgezogen | [Kinder / Tiere]
opkweken | kweekte op [opkweekte] -- heeft opgekweekt | großziehen | zog groß [großzog] -- hat großgezogen | [auch Tiere]
bijtrekken | trok bij [bijtrok] -- heeft/is bijgetrokken | heranziehen | zog heran [heranzog] -- hat herangezogen |
kweken | kweekte -- heeft gekweekt | [opkweken] heranziehen | zog heran [heranzog] -- hat herangezogen |
opkweken | kweekte op [opkweekte] -- heeft opgekweekt | heranziehen | zog heran [heranzog] -- hat herangezogen |
omhoogtrekken | trok omhoog [omhoogtrok] -- heeft/is omhooggetrokken | heraufziehen | zog herauf [heraufzog] -- hat heraufgezogen |
omhooghalen | haalde omhoog [omhooghaalde] -- heeft omhooggehaald | heraufziehen | zog herauf [heraufzog] -- hat heraufgezogen |
opkomen | kwam op [opkwam] -- is opgekomen | heraufziehen | zog herauf [heraufzog] -- ist heraufgezogen |
komen opzetten heraufziehen | zog herauf [heraufzog] -- ist heraufgezogen |
opwinden | wond op [opwond] -- heeft opgewonden | heraufziehen | zog herauf [heraufzog] -- ist heraufgezogen |
uithalen | haalde uit [uithaalde] -- heeft uitgehaald | herausziehen | zog heraus [herauszog] -- hat herausgezogen |
uittrekken | trok uit [uittrok] -- heeft/is uitgetrokken | herausziehen | zog heraus [herauszog] -- hat herausgezogen |
uitschuiven | schoof uit [uitschoof] -- heeft uitgeschoven | herausziehen | zog heraus [herauszog] -- hat herausgezogen |
eruittrekken | trok eruit [eruittrok] -- heeft/is eruitgetrokken | herausziehen | zog heraus [herauszog] -- hat herausgezogen |
extraheren | extraheerde -- heeft geëxtraheerd | herausziehen | zog heraus [herauszog] -- hat herausgezogen | [Splitter]
bijtrekken | trok bij [bijtrok] -- heeft/is bijgetrokken | herbeiziehen | zog herbei [herbeizog] -- hat herbeigezogen |
rondtrekken | trok rond [rondtrok] -- heeft/is rondgetrokken | [zich naar verschillende plaatsen begeven] herumziehen | zog herum [herumzog] -- ist herumgezogen |
neertrekken | trok neer [neertrok] -- heeft neergetrokken | herunterziehen | zog herunter [herunterzog] -- hat heruntergezogen |
opvissen | viste op [opviste] -- heeft opgevist | hervorziehen | zog hervor [hervorzog] -- hat hervorgezogen |
opdiepen | diepte op [opdiepte] -- heeft opgediept | [naar boven brengen] hervorziehen | zog hervor [hervorzog] -- hat hervorgezogen |
smalen | smaalde -- heeft gesmaald | herziehen | zog her [herzog] -- ist hergezogen [p]
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | herüberziehen | zog herüber [herüberzog] -- ist herübergezogen |
omhoogtrekken | trok omhoog [omhoogtrok] -- heeft/is omhooggetrokken | hinaufziehen | zog hinauf [hinaufzog] -- hat hinaufgezogen |
omhooghalen | haalde omhoog [omhooghaalde] -- heeft omhooggehaald | hinaufziehen | zog hinauf [hinaufzog] -- hat hinaufgezogen |
doorhalen | haalde door [doorhaalde] -- heeft doorgehaald | hindurchziehen | zog hindurch [hindurchzog] -- ist hindurchgezogen |
doortrekken | trok door [doortrok] -- heeft/is doorgetrokken | [door iets heen reizen] hindurchziehen | zog hindurch [hindurchzog] -- ist hindurchzogen |
betrekken in | betrok in -- heeft in ... betrokken | hineinziehen | zog hinein [hineinzog] -- hat hineingezogen |
betrekken bij | betrok bij -- heeft bij ... betrokken | hineinziehen | zog hinein [hineinzog] -- hat hineingezogen |
impliceren | impliceerde -- heeft geïmpliceerd | hineinziehen | zog hinein [hineinzog] -- hat hineingezogen |
involveren | involveerde -- heeft geïnvolveerd | hineinziehen | zog hinein [hineinzog] -- hat hineingezogen |
neertrekken | trok neer [neertrok] -- heeft neergetrokken | hinunterziehen | zog hinunter [hinunterzog] -- hat hinuntergezogen |
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | hinüberziehen | zog hinüber [hinüberzog] -- ist hinübergezogen |
ophalen | haalde op [ophaalde] -- heeft opgehaald | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
hijsen | hees -- heeft gehesen | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
omhoogtrekken | trok omhoog [omhoogtrok] -- heeft/is omhooggetrokken | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
optrekken | trok op [optrok] -- heeft/is opgetrokken | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
takelen | takelde -- heeft getakeld | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
opsteken | stak op [opstak] -- heeft opgestoken | [m.b.t. vlag hissen] hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
omhooghalen | haalde omhoog [omhooghaalde] -- heeft omhooggehaald | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen |
taliën | taliede -- heeft getalied | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen | [maritim]
optakelen | takelde op [optakelde] -- heeft opgetakeld | hochziehen | zog hoch [hochzog] -- hat hochgezogen | [maritim]
erop uittrekken | trok erop uit [erop uittrok] -- heeft/is erop uitgetrokken | losziehen | zog los [loszog] -- ist losgezogen |
meetrekken | trok mee [meetrok] -- heeft/is meegetrokken | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen |
volgen | volgde -- heeft/is gevolgd | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen |
meegaan | ging mee [meeging] -- is | meegegaan | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen |
meemarcheren | marcheerde mee [meemarcheerde] -- heeft/is meemarcheerd | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen |
zich aansluiten | sloot zich aan [zich aansloot] -- heeft zich aangesloten | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen | [mitmachen]
meedoen | deed mee [meedeed] -- heeft meegedaan | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen | [mitmachen]
aanzetten | zette aan [aanzette] -- heeft aangezet | nachziehen | zog nach [nachzog] -- hat nachgezogen | [Lippen]
neertrekken | trok neer [neertrok] -- heeft neergetrokken | niederziehen | zog nieder [niederzog] -- hat niedergezogen |
bijtrekken | trok bij [bijtrok] -- heeft/is bijgetrokken | ranziehen | zog ran [ranzog] -- hat rangezogen |
omhoogtrekken | trok omhoog [omhoogtrok] -- heeft/is omhooggetrokken | raufziehen | zog rauf [raufzog] -- hat raufgezogen | [umgangssprachlich]
omhooghalen | haalde omhoog [omhooghaalde] -- heeft omhooggehaald | raufziehen | zog rauf [raufzog] -- hat raufgezogen | [umgangssprachlich]
komen opzetten raufziehen | zog rauf [raufzog] -- ist raufgezogen | [umgangssprachlich]
uitschuiven | schoof uit [uitschoof] -- heeft uitgeschoven | rausziehen | zog raus [rauszog] -- hat rausgezogen | [umgangssprachlich]
eruittrekken | trok eruit [eruittrok] -- heeft/is eruitgetrokken | rausziehen | zog raus [rauszog] -- hat rausgezogen | [umgangssprachlich]
involveren | involveerde -- heeft geïnvolveerd | reinziehen | zog rein [reinzog] -- hat reingezogen | [umgangssprachlich]
rondtrekken | trok rond [rondtrok] -- heeft/is rondgetrokken | [zich naar verschillende plaatsen begeven] rumziehen | zog rum [rumzog] -- ist rumgezogen |
neertrekken | trok neer [neertrok] -- heeft neergetrokken | runterziehen | zog runter [runterzog] -- hat runtergezogen | [umgangssprachlich]
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | rüberziehen | zog rüber [rüberzog] -- ist rübergezogen |
wegtrekken | trok weg [wegtrok] – is weggetrokken | sich zurückziehen | zog sich zurück [sich zurückzog] -- hat sich zurückgezogen |
contraheren | contraheerde -- heeft gecontraheerd | sich zusammenziehen | zog sich zusammen -- hat sich zusammengezogen | [von Muskeln]
straktrekken | trok strak [straktrok] -- heeft/is strakgetrokken | strammziehen | zog stramm [strammzog] -- hat strammgezogen |
zwerven | zwierf -- heeft gezworven | umherziehen | zog umher [umherzog] -- ist umhergezogen |
rondtrekken | trok rond [rondtrok] -- heeft/is rondgetrokken | [zich naar verschillende plaatsen begeven] umherziehen | zog umher [umherzog] -- ist umhergezogen |
vagebonderen | vagebondeerde -- heeft gevagebondeerd | umherziehen | zog umher [umherzog] -- ist umhergezogen |
omkleden -- kleedde om [omkleedde] -- heeft omgekleed | umziehen | zog um [umzog] -- hat umgezogen |
verhuizen | verhuisde -- is verhuisd | umziehen | zog um [umzog] -- ist umgezogen |
verkassen | verkaste -- is verkast | umziehen | zog um [umzog] -- ist umgezogen | [von einem Ort zum andern]
de revue passeren vorbeiziehen | zog vorbei [vorbeizog] -- ist vorbeigezogen |
voorbijtrekken | trok voorbij [voorbijtrok] -- is voorbijgetrokken | vorbeiziehen | zog vorbei [vorbeizog] -- ist vorbeigezogen |
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | vorbeiziehen | zog vorbei [vorbeizog] -- ist vorbeigezogen | [Wolke]
voorzaaien | zaaide voor [voorzaaide] -- heeft voorgezaaid | vorziehen | zog vor [voorzog] -- hat vorgezogen | [Pflanzen]
prefereren | prefereerde -- heeft geprefereerd | vorziehen | zog vor [vorzog] -- hat vorgezogen |
vervroegen | vervroegde -- heeft vervroegd | vorziehen | zog vor [vorzog] -- hat vorgezogen |
verkiezen | verkoos / verkoor -- heeft verkozen / heeft verkoren | vorziehen | zog vor [vorzog] -- hat vorgezogen |
dichttrekken | trok dicht [dichttrok] -- heeft/is dichtgetrokken | [gordijnen] vorziehen | zog vor [vorzog] -- hat vorgezogen |
voortrekken | trok voor [voortrok] -- heeft voorgetrokken | vorziehen | zog vor [vorzog] -- ist/hat vorgezogen |
overdrijven | dreef over [overdreef] -- is overgedreven | [voorbijdrijven] vorüberziehen | zog vorüber [vorüberzog] -- ist vorübergezogen |
voorbijtrekken | trok voorbij [voorbijtrok] -- is voorbijgetrokken | vorüberziehen | zog vorüber [vorüberzog] -- ist vorübergezogen |
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | vorüberziehen | zog vorüber [vorüberzog] -- ist vorübergezogen | [Wolke]
wegtrekken | trok weg [wegtrok] – is weggetrokken | wegziehen | zog weg [wegzog] -- ist weggezogen |
doortrekken | trok door [doortrok] -- heeft/is doorgetrokken | [voortgaan met trekken] weiterziehen | zog weiter [weiterzog] -- ist weitergezogen |
tijgen | toog -- heeft getogen | ziehen | zog -- hat gezogen |
rukken | rukte -- is gerukt | ziehen | zog -- hat gezogen |
tochten | tochtte -- heeft getocht | ziehen | zog -- hat gezogen |
eruittrekken | trok eruit [eruittrok] -- heeft/is eruitgetrokken | ziehen | zog -- hat gezogen |
aanfokken | fokte aan [aanfokte] -- heeft aangefokt | [van vee] ziehen | zog -- hat gezogen |
sleuren | sleurde -- heeft gesleurd | ziehen | zog -- hat gezogen |
aantelen | teelde aan [aanteelde] -- heeft aangeteeld | [van dieren / planten] ziehen | zog -- hat gezogen |
overhalen | haalde over [overhaalde] -- heeft overgehaald | [bel] ziehen | zog -- hat gezogen |
opmaken | maakte op [opmaakte] -- heeft opgemaakt | ziehen | zog -- hat gezogen | [Bilanz]
afnemen | nam af [afnam] -- is afgenomen | ziehen | zog -- hat gezogen | [Hut]
telen | teelde -- heeft geteeld | ziehen | zog -- hat gezogen | [Pflanzen]
opkweken | kweekte op [opkweekte] -- heeft opgekweekt | ziehen | zog -- hat gezogen | [Pflanzen]
extraheren | extraheerde -- heeft geëxtraheerd | ziehen | zog -- hat gezogen | [Zahn]
kweken | kweekte -- heeft gekweekt | ziehen | zog -- hat gezogen | [züchten]
trekken | trok -- heeft/is getrokken | ziehen | zog -- hat/ist gezogen |
drijven | dreef -- heeft/is gedreven | ziehen | zog -- ist gezogen | [Wolken]
intrekken | trok in [introk] -- heeft ingetrokken | ziehen | zog -- ist gezogen | [zu jemandem / in einen Bezirk]
terughalen | haalde terug [terughaalde] -- heeft teruggehaald | [terugtrekken] zurückziehen | zog zurück [zurückzog] -- hat zurückgezogen |
terugtrekken | trok terug [terugtrok] -- heeft teruggetrokken | zurückziehen | zog zurück [zurückzog] -- hat zurückgezogen |
intrekken | trok in [introk] -- heeft ingetrokken | zurückziehen | zog zurück [zurückzog] -- hat zurückgezogen |
intrekken | trok in [introk] -- heeft ingetrokken | [hout] zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- hat zusammengezogen |
fronsen | fronste -- heeft gefronst | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- hat zusammengezogen | [Augenbrauen]
zich samenpakken | pakte zich samen [zich samenpakte] -- heeft zich samengepakt | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- hat zusammengezogen | [Wolken / Unheil]
optellen | telde op [optelde] -- heeft opgeteld | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- hat zusammengezogen | [addieren]
restringeren | restringeerde -- heeft gerestringeerd | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- hat zusammengezogen | [medizinisch]
krimpen | kromp -- heeft/is gekrompen | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- ist zusammengezogen | [Stoff]
dichttrekken | trok dicht [dichttrok] -- heeft/is dichtgetrokken | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- ist zusammengezogen | [Wunde]
samentrekken | trok samen [samentrok] -- heeft/is samengetrokken | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- ist zusammengezogen | [auch militärisch]
gaan samenwonen zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- ist zusammengezogen | [in eine Wohnung]
aanhalen | haalde aan [aanhaalde] -- heeft aangehaald | [vaster maken] zuziehen | zog zu [zuzog] -- hat zugezogen |
toehalen | haalde toe [toehaalde] -- heeft toegehaald | zuziehen | zog zu [zuzog] -- hat zugezogen |
dichttrekken | trok dicht [dichttrok] -- heeft/is dichtgetrokken | [sluiten door trekken] zuziehen | zog zu [zuzog] -- hat zugezogen |
toetrekken | trok toe [toetrok] -- heeft/is toegetrokken | zuziehen | zog zu [zuzog] -- hat/ist zugezogen |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | überziehen | zog über [überzog] -- hat übergezogen | [Kleidung]
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | [bekleden] überziehen | zog über [überzog] -- ist übergezogen |
overtrekken | trok over [overtrok] -- heeft overgetrokken | [overdrijven] überziehen | überzog -- hat übergezogen |
Zusammensetzungen
80. Hij Fronste [soera] Sure 80. Er zog die Stirne kraus
uitsplitsen | splitste uit [uitsplitste] -- heeft uitgesplitst | [draad / dun touw] auseinander ziehen | zog auseinander [auseinander zog] -- hat auseinander gezogen |
[alte Rechtschreibung:]
auseinanderziehen | zog auseinander [auseinanderzog] -- hat auseinandergezogen |
over de hekel halen herziehen über | zog über ... her -- ist über ... hergezogen |
iemand erbij halen jemanden heranziehen | zog jemanden heran [jemanden heranzog] -- hat jemanden herangezogen |
iemand erbij halen jemanden hinzuziehen | zog jemanden hinzu [jemanden hinzuzog] -- hat jemanden hinzugezogen |
zich aankleden | kleedde zich aan [zich aankleedde] -- heeft/is zich aangekleed | sich anziehen | zog sich an [sich anzog] -- hat sich angezogen |
zich uitkleden | kleedde zich uit [zich uitkleedde] -- heeft zich uitgekleed | sich ausziehen | zog sich aus [sich auszog] -- hat sich ausgezogen |
uit de kleren gaan [p] sich ausziehen | zog sich aus [sich auszog] -- hat sich ausgezogen |
zich uitstrekken | strekte zich uit [zich uitstrekte] -- heeft zich uitgestrekt | sich entlangziehen | zog sich entlang [sich entlangzog] -- hat sich entlanggezogen |
voortslepen | sleepte voort [voortsleepte] -- heeft voortgesleept | [voortduren] sich hinausziehen | zog sich hinaus [sich hinauszog] -- hat sich hinausgezogen |
voortslepen | sleepte voort [voortsleepte] -- heeft voortgesleept | [voortduren] sich hinziehen | zog sich hin [sich hinzog] -- hat sich hingezogen |
voortslepen | sleepte voort [voortsleepte] -- heeft voortgesleept | [voortduren] sich rausziehen | zog sich raus [sich rauszog] -- hat sich rausgezogen | [umgangssprachlich]
zich verkleden | verkleedde zich [zich verkleedde] -- heeft zich verkleed | sich umziehen | zog sich um [sich umzog] -- hat sich umgezogen |
zich omkleden -- kleedde zich om [zich omkleedde] -- heeft zich omgekleed | sich umziehen | zog sich um [sich umzog] -- hat sich umgezogen |
kromtrekken | trok krom [kromtrok] -- heeft kromgetrokken | sich ziehen | zog sich [sich zog] -- hat sich gezogen |
zich terugtrekken | trok zich terug [zich terugtrok] -- heeft zich teruggetrokken | sich zurückziehen | zog sich zurück [sich zurückzog] -- hat sich zurückgezogen |
retireren | retireerde -- heeft geretireerd | sich zurückziehen | zog sich zurück [sich zurückzog] -- hat sich zurückgezogen |
opsluiten | sloot op [opsloot] -- heeft opgesloten | [zich afzonderen] sich zurückziehen | zog sich zurück [sich zurückzog] -- hat sich zurückgezogen |
zich samentrekken | trok zich samen [zich samentrok] -- heeft/is zich samengetrokken | sich zusammenziehen | zog sich zusammen [sich zusammenzog] -- hat sich zusammengezogen |
zich samentrekken | trok zich samen [zich samentrok] -- heeft zich samengetrokken | sich zusammenziehen | zog sich zusammen [sich zusammenzog] -- hat sich zusammengezogen |
dichttrekken | trok dicht [dichttrok] -- heeft/is dichtgetrokken | [met wolken bedekt worden] sich zuziehen | zog sich zu [sich zuzog] -- hat sich zugezogen |
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | sich zuziehen | zog sich zu [sich zuzog] -- hat sich zugezogen | [Krankheit]
oplopen | liep op [opliep] -- is opgelopen | sich zuziehen | zog sich zu [sich zuzog] -- hat sich zugezogen | [Krankheit]
Redewendungen
zich op de hals halen ziehen | zog -- hat gezogen | [Hass / Wut]
Beispiele
De Bondsraad betrok het voormalige Pruisische Herenhuis. Der Bundestag zog ins ehemalige Preußische Herrenhaus.
Een onweer trok voorbij. Ein Gewitter zog durch.
Ik deed er een trui overheen. Ich zog mir einen Pulli über.
Ik trok er een trui overheen. Ich zog mir einen Pulli über.
Ze trok de koffer door de regen. Sie zog den Koffer durch den Regen.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

Deutsch

  1. ziehen
  2. zogen