Vertalingen voor 'draaide'

Voor 'draaide' werden 82 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
dichtdraaien | draaide dicht [dichtdraaide] -- heeft dichtgedraaid | abdrehen | drehte ab [abdrehte] -- hat abgedreht |
toedraaien | draaide toe [toedraaide] -- heeft toegedraaid | [dichtdraaien] abdrehen | drehte ab [abdrehte] -- hat abgedreht |
wegdraaien | draaide weg [wegdraaide] -- heeft weggedraaid | abwenden | wendete ab [abwendete] -- hat abgewendet |
[alternativ:]
abwenden | wandte ab [abwandte] -- hat abgewandt |
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | andrehen | drehte an [andrehte] -- hat angedreht |
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | andrehen | drehte an [andrehte] -- hat angedreht | [Licht]
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | anknipsen | knipste an [anknipste] -- hat angeknipst | [Licht]
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | anwerfen | warf an [anwarf] -- hat angeworfen | [Motor]
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [Schraube]
vastdraaien | draaide vast [vastdraaide] -- heeft vastgedraaid | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [z.B. Schrauben]
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] aufdrehen | drehte auf [aufdrehte] -- hat aufgedreht |
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] aufkurbeln | kurbelte auf [aufkurbelte] -- hat aufgekurbelt |
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] aufmachen | machte auf [aufmachte] -- hat aufgemacht |
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] aufschließen | schloss auf [aufschloss] -- hat aufgeschlossen |
[alte Rechtschreibung:]
aufschließen | schloß auf [aufschloß] -- hat aufgeschlossen |
losdraaien | draaide los [losdraaide] -- heeft losgedraaid | aufschrauben | schraubte auf [aufschraubte] -- hat aufgeschraubt |
opdraaien | draaide op [opdraaide] -- heeft opgedraaid | [op iets bevestigen] aufschrauben | schraubte auf [aufschraubte] -- hat aufgeschraubt |
opdraaien | draaide op [opdraaide] -- heeft opgedraaid | [opwinden] aufziehen | zog auf [aufzog] -- hat aufgezogen |
wegdraaien | draaide weg [wegdraaide] -- heeft weggedraaid | [geleidelijk laten verdwijnen] ausblenden | blendete aus [ausblendete] -- hat ausgeblendet |
uitdraaien | draaide uit [uitdraaide] -- heeft uitgedraaid | ausdrehen | drehte aus [ausdrehte] -- hat ausgedreht |
uitdraaien | draaide uit [uitdraaide] -- heeft uitgedraaid | ausdrucken | druckte aus [ausdruckte] -- hat ausgedruckt | [EDV]
uitdraaien | draaide uit [uitdraaide] -- heeft uitgedraaid | ausschrauben | schraubte aus [ausschraubte] -- hat ausgeschraubt |
bijdraaien | draaide bij [bijdraaide] -- is bijgedraad | [schepen] beidrehen | drehte bei [beidrehte] -- hat beigedreht |
draaien | draaide -- heeft gedraaid | drehen | drehte -- hat gedreht |
doldraaien | draaide dol [doldraaide] -- heeft dolgedraaid | durchdrehen | drehte durch [durchdrehte] -- ist durchgedreht |
indraaien | draaide in [indraaide] -- heeft ingedraaid | einbiegen | bog ein [einbog] -- ist eingebogen | [Auto]
indraaien | draaide in [indraaide] -- heeft ingedraaid | eindrehen | drehte ein [eindrehte] -- hat eingedreht |
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | eindrehen | drehte ein [eindrehte] -- hat eingedreht |
bijdraaien | draaide bij [bijdraaide] -- is bijgedraad | [minder koppig worden] einlenken | lenkte ein [einlenkte] -- hat eingelenkt |
aandraaien | draaide aan [aandraaide] -- heeft aangedraaid | einschalten | schaltete ein [einschaltete] -- hat eingeschaltet | [Licht]
indraaien | draaide in [indraaide] -- heeft ingedraaid | einschrauben | schraubte ein [einschraubte] -- hat eingeschraubt |
vastdraaien | draaide vast [vastdraaide] -- heeft vastgedraaid | festdrehen | drehte fest [festdrehte] -- hat festgedreht |
vastdraaien | draaide vast [vastdraaide] -- heeft vastgedraaid | festziehen | zog fest [festzog] -- hat festgezogen | [z.B. Schrauben]
ronddraaien | draaide rond [ronddraaide] -- heeft rondgedraaid | herumdrehen | drehte herum [herumdrehte] -- hat herumgedreht |
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] herunterkurbeln | kurbelte herunter [herunterkurbelte] -- hat heruntergekurbelt |
indraaien | draaide in [indraaide] -- heeft ingedraaid | hineindrehen | drehte hinein [hineindrehte] -- hat hineingedreht |
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] hinunterkurbeln | kurbelte hinunter [hinunterkurbelte] -- hat hinuntergekurbelt |
opdraaien | draaide op [opdraaide] -- heeft opgedraaid | [omhoog draaien] hochdrehen | drehte hoch [hochdrehte] -- hat hochgedreht |
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [omkeren] kehrtmachen | machte kehrt [kehrtmachte] -- hat kehrtgemacht |
ronddraaien | draaide rond [ronddraaide] -- heeft rondgedraaid | kreisen | kreiste -- ist gekreist |
indraaien | draaide in [indraaide] -- heeft ingedraaid | landen | landete -- ist gelandet | [in]
meedraaien | draaide mee [meedraaide] -- heeft meegedraaid | [meedoen] mitarbeiten | arbeitete mit [mitarbeitete] -- hat mitgearbeitet |
indraaien | draaide in [indraaide] -- heeft ingedraaid | reindrehen | drehte rein [reindrehte] -- hat reingedreht | [umgangssprachlich]
ronddraaien | draaide rond [ronddraaide] -- heeft rondgedraaid | rumdrehen | drehte rum [rumdrehte] -- hat rumgedreht |
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [openen] runterkurbeln | kurbelte runter [runterkurbelte] -- hat runtergekurbelt | [umgangssprachlich]
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [omkeren / richting doen veranderen] umdrehen | drehte um [umdrehte] -- hat umgedreht | [drehen]
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [omkeren] umkehren | kehrte um [umkehrte] -- ist umgekehrt |
draaien | draaide -- heeft gedraaid | umlenken | lenkte um [umlenkte] -- hat umgelenkt | [einen Wagen]
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [van mening veranderen] umschwenken | schwenkte um [umschwenkte] -- ist umgeschwenkt |
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [van stand doen veranderen] verdrehen | verdrehte -- hat verdreht |
doordraaien | draaide door [doordraaide] -- heeft doorgedraaid | vergeuden | vergeudete -- hat vergeudet |
doordraaien | draaide door [doordraaide] -- heeft doorgedraaid | vernichten | vernichtete -- hat vernichtet |
doordraaien | draaide door [doordraaide] -- heeft doorgedraaid | verpulvern | verpulverte -- hat verpulvert |
voordraaien | draaide voor [voordraaide] -- heeft voorgedraaid | vordrehen | drehte vor [vordrehte] -- hat vorgedreht |
warmdraaien | draaide warm -- heeft/is warmgedraaid | warmlaufen / warm laufen | lief warm [warmlief] -- ist warmgelaufen |
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [omkeren] wegdrehen | drehte weg [wegdrehte] -- hat weggedreht |
wegdraaien | draaide weg [wegdraaide] -- heeft weggedraaid | wegdrehen | drehte weg [wegdrehte] -- hat weggedreht |
doordraaien | draaide door [doordraaide] -- heeft doorgedraaid | weiterdrehen | drehte weiter [weiterdrehte] -- hat weitergedreht |
dichtdraaien | draaide dicht [dichtdraaide] -- heeft dichtgedraaid | zudrehen | drehte zu [zudrehte] -- hat zugedreht |
toedraaien | draaide toe [toedraaide] -- heeft toegedraaid | [dichtdraaien] zudrehen | drehte zu [zudrehte] -- hat zugedreht |
toedraaien | draaide toe [toedraaide] -- heeft toegedraaid | zukehren | kehrte zu [zukehrte] -- hat zugekehrt |
terugdraaien | draaide terug [terugdraaide] -- heeft teruggedraaid | zurückdrehen | drehte zurück [zurückdrehte] -- hat zurückgedreht |
terugdraaien | draaide terug [terugdraaide] -- heeft teruggedraaid | zurückschrauben | schraubte zurück [zurückschraubte] -- hat zurückgeschraubt |
doordraaien | draaide door [doordraaide] -- heeft doorgedraaid | überdrehen | überdrehte -- hat überdreht |
doldraaien | draaide dol [doldraaide] -- heeft dolgedraaid | [stuk draaien] überdrehen | überdrehte -- hat überdreht |
meedraaien | draaide mee [meedraaide] -- heeft meegedraaid | [meedoen] dabei sein | war dabei [dabei war] -- ist dabei gewesen |
[alte Rechtschreibung:]
dabeisein | war dabei [dabeiwar] -- ist dabeigewesen |
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [rijdend] fahren um
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [lopend] gehen um
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [lopend] laufen um
ronddraaien | draaide rond [ronddraaide] -- heeft rondgedraaid | sich drehen | drehte sich -- hat sich gedreht |
omdraaien | draaide om [omdraaide] -- heeft omgedraaid | [om zijn as draaien] sich drehen | drehte sich [sich drehte] -- hat sich gedreht |
warmdraaien | draaide warm -- is warmgedraaid | [in de juiste stemming komen] sich einstellen | stellte sich ein [sich einstellte] -- hat sich eingestellt |
ronddraaien | draaide rond [ronddraaide] -- heeft rondgedraaid | sich herumdrehen | drehte sich herum [sich herumdrehte] -- hat sich herumgedreht |
meedraaien | draaide mee [meedraaide] -- heeft meegedraaid | [samen draaien] sich mitdrehen | drehte sich mit [sich mitdrehte] -- hat sich mitgedreht |
ronddraaien | draaide rond [ronddraaide] -- heeft rondgedraaid | sich rumdrehen | drehte sich rum [sich rumdrehte] -- hat sich rumgedreht |
warmdraaien | draaide warm -- is warmgedraaid | [in de juiste stemming komen] sich vorbereiten | bereitete sich vor [sich vorbereitete] -- hat sich vorbereitet | [auf etwas]
opendraaien | draaide open [opendraaide] -- heeft opengedraaid | [zich draaiend openen] sich öffnen | öffnete sich [sich öffnete] -- hat sich geöffnet |
Zusammensetzungen
zich omdraaien | draaide zich om [zich omdraaide] -- heeft zich omgedraaid | sich umdrehen | drehte sich um [sich umdrehte] -- hat sich umgedreht |
Redewendungen
Mijn hart draaide om in mijn lijf. Mir drehte sich der Magen um.
mijn hart draaide om in mijn lijf der Magen drehte sich mir im Leibe um
Mijn hart draaide om in mijn lijf. Mir wurde kotzübel.
Beispiele
De vrouw draaide de hoek om. Die Frau lief um die Ecke.
Hij draaide bij deze handmolens de bovenste steen (de loper) altijd linksom. Er drehte bei diesen Handmühlen den obersten Stein (den Läufer) immer linksherum.
Hij draaide van haar weg. Er wandte sich von ihr ab.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. draaiden
  2. draaideur

Deutsch