Vertalingen voor 'deed'

Voor 'deed' werden 141 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abbinden | band ab [abband] -- hat abgebunden | [auch medizinisch]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abgelten | golt ab [abgolt] -- hat abgegolten |
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | ablegen | legte ab [ablegte] -- hat abgelegt | [Kleider]
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | ablegen | legte ab [ablegte] -- hat abgelegt | [Kleidung]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abmachen | machte ab [abmachte] -- hat abgemacht |
wegdoen | deed weg [wegdeed] -- heeft weggedaan | abschaffen | schaffte ab [abschaffte] -- hat abgeschafft | [Personal]
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [wat met riemen vastzit] abschnallen | schnallte ab [abschnallte] -- hat abgeschnallt |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [gevangenisstraf] [België] absitzen | saß ab [absaß] -- hat abgesessen |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [afmaken / volbrengen] [België] absolvieren | absolvierte -- hat absolviert | [Studium]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abstreifen | striff ab [abstriff] -- hat abgestriffen |
[alternativ:]
abstreifen | streifte ab [abstreifte] -- hat abgestreift |
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [Schuld]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abtun | tat ab [abtat] -- hat abgetan |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [reinigen] abwischen | wischte ab [abwischte] -- hat abgewischt |
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abwischen | wischte ab [abwischte] -- hat abgewischt | [Staub]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abziehen | zog ab [abzog] -- hat abgezogen | [vom Preis]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anfliegen | flog an [anflog] -- ist angeflogen |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anhängen | hing an [anhing] -- hat angehangen | [Prozess]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anknipsen | knipste an [anknipste] -- hat angeknipst | [Licht]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anlaufen | lief an [anlief] -- ist angelaufen | [Hafen]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anlegen | legte an [anlegte] -- hat angelegt | [Schmuck]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anmachen | machte an [anmachte] -- hat angemacht | [Licht]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anmuten | mutete an [anmutete] -- hat angemutet |
tenietdoen | deed teniet [tenietdeed] -- heeft tenietgedaan | annullieren | annullierte -- hat annulliert |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anschalten | schaltete an [anschaltete] -- hat angeschaltet | [Licht]
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | antun | tat an [antat] -- hat angetan |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | anziehen | zog an [anzog] -- hat angezogen | [Kleidung]
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | aufgabeln | gabelte auf [aufgabelte] -- hat aufgegabelt |
tenietdoen | deed teniet [tenietdeed] -- heeft tenietgedaan | aufheben | hob auf [aufhob] -- hat aufgehoben |
opendoen | deed open [opendeed] -- heeft opengedaan | aufmachen | machte auf [aufmachte] -- hat aufgemacht |
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen |
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | auftreiben | trieb auf [auftrieb] -- hat aufgetrieben |
opendoen | deed open [opendeed] -- heeft opengedaan | auftun | tat auf [auftat] – hat aufgetan |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [rooien] [België] ausbuddeln | buddelte aus [ausbuddelte] -- hat ausgebuddelt |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [rooien] [België] ausgraben | grub aus [ausgrub] -- hat ausgegraben |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | ausknipsen | knipste aus [ausknipste] -- hat ausgeknipst | [Licht]
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | ausmachen | machte aus [ausmachte] -- hat ausgemacht |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [uitschakelen] ausschalten | schaltete aus [ausschaltete] -- hat ausgeschaltet |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [reinigen] auswischen | wischte aus [auswischte] -- hat ausgewischt |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | ausziehen | zog aus [auszog] -- hat ausgezogen | [Kleidung]
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [afmaken / volbrengen] [België] beenden | beendete -- hat beendet | [Studium]
bijdoen | deed bij [bijdeed] -- heeft bijgedaan | beifügen | fügte bei [beifügte] -- hat beigefügt |
goeddoen | deed goed [goeddeed] -- heeft goedgedaan | [met ontkenning] bekommen | bekam -- hat bekommen |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | blankziehen | zog blank [blankzog] -- hat blankgezogen | [Kleidung eiligst ausziehen]
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [periode] [België] durchstehen | stand durch [durchstand] -- hat durchgestanden |
dooddoen | deed dood [dooddeed] -- heeft doodgedaan | [ontzenuwen] entkräften | entkräftete -- hat entkräftet |
wegdoen | deed weg [wegdeed] -- heeft weggedaan | entlassen | entließ -- hat entlassen | [Personal]
voordoen | deed voor [voordeed] -- heeft voorgedaan | entstehen | entstand -- ist entstanden |
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | erledigen | erledigte -- hat erledigt |
doen | deed -- heeft gedaan | erledigen | erledigte -- hat erledigt |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | erscheinen | erschien -- ist erschienen |
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | erwerben | erwarb -- hat erworben | [Kenntnisse]
voldoen | deed vol [voldeed] -- heeft volgedaan | füllen | füllte -- hat gefüllt |
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | gewinnen | gewann -- hat gewonnen | [Kenntnisse]
goeddoen | deed goed [goeddeed] -- heeft goedgedaan | gut tun / guttun | tat gut [guttat] -- hat gutgetan |
opendoen | deed open [opendeed] -- heeft opengedaan | hereinlassen | ließ herein [hereinließ] -- hat hereingelassen |
opendoen | deed open [opendeed] -- heeft opengedaan | hineinlassen | ließ hinein [hineinließ] -- hat hineingelassen |
bijdoen | deed bij [bijdeed] -- heeft bijgedaan | hinzufügen | fügte hinzu [hinzfügte] -- hat hinzugefügt |
bijdoen | deed bij [bijdeed] -- heeft bijgedaan | hinzutun | tat hinzu [hinzutat] -- hat hinzugetan |
nadoen | deed na [nadeed] -- heeft nagedaan | imitieren | imitierte -- hat imitiert |
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | losbinden | band los [losband] -- hat losgebunden |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | löschen | löschte -- hat gelöscht |
doen | deed -- heeft gedaan | machen | machte -- hat gemacht |
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | machen | machte -- hat gemacht | [Erfahrung]
meedoen | deed mee [meedeed] -- heeft meegedaan | [aan] mitmachen | machte mit [mitmachte] -- hat mitgemacht | [bei]
meedoen | deed mee [meedeed] -- heeft meegedaan | mitziehen | zog mit [mitzog] -- ist mitgezogen | [mitmachen]
nadoen | deed na [nadeed] -- heeft nagedaan | nachmachen | machte nach [nachmachte] -- hat nachgemacht |
onderdoen | deed onder [onderdeed] -- heeft ondergedaan | nachstehen | stand nach [nachstand] -- hat nachgestanden |
opendoen | deed open [opendeed] -- heeft opengedaan | reinlassen | ließ rein [reinließ] -- hat reingelassen | [umgangssprachlich]
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | sammeln | sammelte -- hat gesammelt | [Erfahrung]
doen | deed -- heeft gedaan | schaffen | schaffte -- hat geschafft | [tun]
dichtdoen | deed dicht [dichtdeed] -- heeft dichtgedaan | schließen | schloss -- hat geschlossen |
[alte Rechtschreibung:]
schließen | schloß -- hat geschlossen |
dooddoen | deed dood [dooddeed] -- heeft doodgedaan | [doden] totmachen | machte tot [totmachte] -- hat totgemacht |
doen | deed -- heeft gedaan | treiben | trieb -- hat getrieben | [tun]
doen | deed -- heeft gedaan | tun | tat -- hat getan |
doen | deed -- heeft gedaan | tätigen | tätigte -- hat getätigt | [Einkäufe]
dooddoen | deed dood [dooddeed] -- heeft doodgedaan | [doden] töten | tötetehat getötet |
omdoen | deed om [omdeed] -- heeft omgedaan | umbinden | band um [umband] -- hat umgebunden |
omdoen | deed om [omdeed] -- heeft omgedaan | umgeben | umgab -- hat umgeben |
omdoen | deed om [omdeed] -- heeft omgedaan | umlegen | legte um [umlegte] -- hat umgelegt |
omdoen | deed om [omdeed] -- heeft omgedaan | umtun | tat um [umtat] -- hat umgetan |
doen | deed -- heeft gedaan | unternehmen | unternahm -- hat unternommen |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [gevangenisstraf] [België] verbüßen | verbüßte -- hat verbüßt |
voldoen | deed vol [voldeed] -- heeft volgedaan | voll machen / vollmachen | machte voll [vollmachte] -- hat vollgemacht |
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | [afmaken / volbrengen] [België] vollenden | vollendete -- hat vollendet |
voordoen | deed voor [voordeed] -- heeft voorgedaan | vorbinden | band vor [vorband] -- hat vorgebunden | [Schürze usw.]
voordoen | deed voor [voordeed] -- heeft voorgedaan | vormachen | machte vor [vormachte] -- hat vorgemacht |
doen | deed -- heeft gedaan | vornehmen | nahm vor [vornahm] -- hat vorgenommen |
wegdoen | deed weg [wegdeed] -- heeft weggedaan | weglegen | legte weg [weglegte] -- hat weggelegt |
wegdoen | deed weg [wegdeed] -- heeft weggedaan | wegmachen | machte weg [wegmachte] -- hat weggemacht |
wegdoen | deed weg [wegdeed] -- heeft weggedaan | wegstecken | steckte weg [wegsteckte] -- hat weggesteckt | [in die Tasche]
wegdoen | deed weg [wegdeed] -- heeft weggedaan | wegtun | tat weg [wegtat] -- hat weggetan |
dooddoen | deed dood [dooddeed] -- heeft doodgedaan | [ontzenuwen] widerlegen | widerlegte -- hat widerlegt |
tenietdoen | deed teniet [tenietdeed] -- heeft tenietgedaan | widerrufen | widerrief -- hat widerrufen |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | wirken | wirkte -- hat gewirkt |
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | wischen | wischte -- hat gewischt | [Staub]
voordoen | deed voor [voordeed] -- heeft voorgedaan | zeigen | zeigte -- hat gezeigt |
dichtdoen | deed dicht [dichtdeed] -- heeft dichtgedaan | zumachen | machte zu [zumachte] -- hat zugemacht |
toedoen | deed toe [toedeed] -- heeft toegedaan | zumachen | machte zu [zumachte] -- hat zugemacht |
terugdoen | deed terug [terugdeed] -- heeft teruggedaan | zurückgeben | gab zurück [zurückgab] -- hat zurückgegeben |
terugdoen | deed terug [terugdeed] -- heeft teruggedaan | zurückmachen | machte zurück [zurückmachte] -- hat zurückgemacht |
bijeendoen | deed bijeen [bijeendeed] -- heeft bijeengedaan | zusammenlegen | legte zusammen [zusammenlegte] -- hat zusammengelegt |
samendoen | deed samen [samendeed] -- heeft samengedaan | zusammentun | tat zusammen [zusammentat] -- hat zusammengetan |
toedoen | deed toe [toedeed] -- heeft toegedaan | zutun | tat zu [zutat] -- hat zugetan |
opendoen | deed open [opendeed] -- heeft opengedaan | öffnen | öffnete -- hat geöffnet |
omdoen | deed om [omdeed] -- heeft omgedaan | übertun | tat über [übertat] -- hat übergetan |
aandoen | deed aan [aandeed] -- heeft aangedaan | überziehen | zog über [überzog] -- hat übergezogen | [Kleidung]
zakendoen | deed zaken [zakendeed] -- heeft zakengedaan | Geschäfte erledigen [p]
zakendoen | deed zaken [zakendeed] -- heeft zakengedaan | Geschäfte machen [p]
misdoen | deed mis [misdeed] -- heeft misgedaan | falsch machen
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | sich anlachen | lachte sich an [sich anlachte] -- hat sich angelacht | [Krankheit]
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | sich einfangen | fing sich ein [sich einfing] -- hat sich eingefangen | [Krankheit]
uitdoen | deed uit [uitdeed] -- heeft uitgedaan | sich entledigen | entledigte sich [sich entledigte] -- hat sich entledigt |
voordoen | deed voor [voordeed] -- heeft voorgedaan | sich ereignen | ereignete sich [sich ereignete] -- hat sich ereignet | [Unfall]
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | sich holen | holte sich [sich holte] -- hat sich geholt | [Krankheit]
doen | deed -- heeft gedaan | sich zu schaffen machen
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | sich zuziehen | zog sich zu [sich zuzog] -- hat sich zugezogen | [Krankheit]
misdoen | deed mis [misdeed] -- heeft misgedaan | verkehrt machen
goeddoen | deed goed [goeddeed] -- heeft goedgedaan | wohl tun | tat wohl [wohl tat] -- hat wohl getan |
[alte Rechtschreibung:]
wohltun | tat wohl [wohltat] -- hat wohlgetan |
Zusammensetzungen
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | auftreten | trat auf [auftrat] -- ist aufgetreten |
doen aan | deed aan -- heeft aan ... gedaan | ausüben | übte aus [ausübte] -- hat ausgeübt |
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | eintreten | trat ein [eintrat] -- ist eingetreten |
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | passieren | passierte -- ist passiert |
doen aan | deed aan -- heeft aan ... gedaan | treiben | trieb -- hat getrieben | [ausüben]
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | sich aufführen | führte sich auf [sich aufführte] -- hat sich aufgeführt |
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | sich aufspielen | spielte sich auf [sich aufspielte] -- hat sich aufgespielt |
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | sich bieten | bot sich [sich bot] -- hat sich geboten | [Gelegenheit]
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | sich darbieten | bot sich dar [sich darbot] -- hat sich dargeboten | [Gelegenheit]
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | sich ergeben | ergab sich [sich ergab] -- hat sich ergeben |
zich voordoen | deed zich voor [zich voordeed] -- heeft zich voorgedaan | sich gebärden | gebärdete sich [sich gebärdete] -- hat sich gebärdet |
Redewendungen
Zij deed mee voor Piet Snot. Sie wurde links liegengelassen.
Zitate
de God die ijzer deed ontstaan Der Gott, der Eisen wachsen ließ [Ernst Moritz Arndt, 1769-1860]
Je vergeet wat iemand zei, je vergeet wat iemand deed, maar je vergeet nooit hoe iemand je liet voelen. [Maya Angelou, 19282014] Du wirst vergessen, was jemand gesagt hat, du wirst vergessen, was jemand getan hat, aber du wirst nie vergessen, wie jemand dich hat fühlen lassen. [Maya Angelou, 19282014]
Beispiele
Het Palast der Republik deed dienst als poltiek correcte omlijsting van een onvergetelijke trouwdag. Der Palast der Republik diente als politisch korrekter Rahmen für einen unvergesslichen Hochzeitstag.
De heroïnebrigade deed een goede vangst. Die Rauschgift-Einsatztruppe machte einen guten Fang.
Een nieuwe dans deed zijn intrede. Ein neuer Tanz kam auf.
Hij deed het nodige. Er tat das Nötigste.
Hij deed alsof hij niets wist. Er tat so, als ob er nichts wüsste.
Vlot deed ze haar werk. Flott erledigte sie ihre Arbeit.
Ik deed er een trui overheen. Ich zog mir einen Pulli über.
In de 18de eeuw deed lood zijn intrede op het pannendak. Im 18. Jahrhundert hielt das Lot Einzug beim Pfannendach.
Zij deed eerst nogal koeltjes. Sie war zuerst recht kühl.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. doen
  2. Deedee
  3. deden
  4. 15de-18de

Deutsch