Übersetzungen für 'trug'

Für 'trug' wurden 90 Übersetzung(en) gefunden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
aflossen | loste af [afloste] -- heeft afgelost | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen [p] [Schulden]
afslijten | sleet af [afsleet] -- heeft afgesleten | [kleren] abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen |
afgraven | groef af [afgroef] -- heeft afgegraven | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen |
verslijten | versleet -- heeft versleten | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [Kleidung / Schuhe]
opdragen | droeg op [opdroeg] -- heeft opgedragen | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [Kleidung]
afdoen | deed af [afdeed] -- heeft afgedaan | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [Schuld]
aanzuiveren | zuiverde aan [aanzuiverde] -- heeft aangezuiverd | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [Schulden]
kwijten | kweet -- heeft gekweten | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [Schulden]
slechten | slechtte -- heeft geslecht | [doen verdwijnen] abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [einen Deich]
wegsnijden | sneed weg [wegsneed] -- heeft weggesneden | abtragen | trug ab [abtrug] -- hat abgetragen | [medizinisch]
opdoen | deed op [opdeed] -- heeft opgedaan | auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen |
opdienen | diende op [opdiende] -- heeft opgediend | auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen |
gelasten | gelastte -- heeft gelast | [opdragen] auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen |
opbrengen | bracht op [opbracht] -- heeft opgebracht | auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen | [Farbe]
opdragen | droeg op [opdroeg] -- heeft opgedragen | auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen | [Kleidung]
opdissen | diste op [opdiste] -- heeft opgedist | auftragen | trug auf [auftrug] -- hat aufgetragen | [z.B. Essen]
verrijden | verreed -- is/heeft verreden | austragen | trug aus [austrug] -- hat ausgetragen |
rondbrengen | bracht rond [rondbracht] -- heeft rondgebracht | austragen | trug aus [austrug] -- hat ausgetragen |
rondbezorgen | bezorgde rond [rondbezorgde] -- heeft rondbezorgd | austragen | trug aus [austrug] -- hat ausgetragen |
bestellen | bestelde -- heeft besteld | austragen | trug aus [austrug] -- hat ausgetragen | [Briefe]
bezorgen | bezorgde -- heeft bezorgd | austragen | trug aus [austrug] -- hat ausgetragen | [tragen] [Zeitung]
uitvechten | vocht uit [uitvocht] -- heeft uitgevochten | austragen | trug aus [austrug] -- hat ausgetragen | [z.B. einen Konflikt]
bijdragen | droeg bij [bijdroeg] -- heeft bijgedragen | beitragen | trug bei [beitrug] -- hat beigetragen |
contribueren | contribueerde -- heeft gecontribueerd | [bijdragen in / medewerken aan] beitragen | trug bei [beitrug] -- hat beigetragen |
behalen | behaalde -- heeft behaald | davontragen | trug davon [davontrug] -- hat davongetragen | [Sieg]
registreren | registreerde -- heeft geregistreerd | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
boeken | boekte -- heeft geboekt | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
inschrijven | schreef in [inschreef] -- heeft ingeschreven | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
inboeken | boekte in [inboekte] -- heeft ingeboekt | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
intekenen | intekende -- heeft ingetekend | [inschrijven] eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
aanschrijven | schreef aan [aanschreef] -- heeft aangeschreven | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
aantekenen | tekende aan [aantekende] -- heeft aangetekend | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen |
invullen | vulde in [invulde] -- heeft ingevuld | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen | [Daten]
opbrengen | bracht op [opbracht] -- heeft opgebracht | [opleveren] eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen | [Geld / Vorteil]
opleveren | leverde op [opleverde] -- heeft opgeleverd | eintragen | trug ein [eintrug] -- hat eingetragen | [Zinsen / Gewinne]
wegdragen | droeg weg [wegdroeg] -- heeft weggedragen | [dragend verwijderen] forttragen | trug fort [forttrug] -- hat fortgetragen |
aandragen | droeg aan [aandroeg] -- heeft aangedragen | herantragen | trug heran [herantrug] -- hat herangetragen |
opdragen | droeg op [opdroeg] -- heeft opgedragen | herauftragen | trug herauf [herauftrug] -- hat heraufgetragen |
uitdragen | droeg uit [uitdroeg] -- heeft uitgedragen | heraustragen | trug heraus [heraustrug] -- hat herausgetragen |
aandragen | droeg aan [aandroeg] -- heeft aangedragen | herbeitragen | trug herbei [herbeitrug] -- hat herbeigetragen |
indragen | droeg in [indroeg] -- heeft ingedragen | hereintragen | trug herein [hereintrug] -- hat hereingetragen |
rondvertellen | vertelde rond [rondvertelde] -- heeft rondverteld | herumtragen | trug herum [herumtrug] -- hat herumgetragen |
verklappen | verklapte -- heeft verklapt | herumtragen | trug herum [herumtrug] -- hat herumgetragen |
rondbrieven | briefde rond [rondbriefde] -- heeft rondgebriefd | herumtragen | trug herum [herumtrug] -- hat herumgetragen |
omdragen | droeg om [omdroeg] -- heeft omgedragen | herumtragen | trug herum [herumtrug] -- hat herumgetragen |
opdragen | droeg op [opdroeg] -- heeft opgedragen | hinauftragen | trug hinauf [hinauftrug] -- hat hinaufgetragen |
uitdragen | droeg uit [uitdroeg] -- heeft uitgedragen | [naar buiten dragen] hinaustragen | trug hinaus [hinaustrug] -- hat hinausgetragen |
indragen | droeg in [indroeg] -- heeft ingedragen | hineintragen | trug hinein [hineintrug] -- hat hineingetragen |
toevoegen | voegde toe [toevoegde] -- heeft toegevoegd | [m.b.t. woord en schrift] nachtragen | trug nach [nachtrug] -- hat nachgetragen |
bijboeken | boekte bij [bijboekte] -- heeft bijgeboekt | nachtragen | trug nach [nachtrug] -- hat nachgetragen |
achteraf bijdragen nachtragen | trug nach [nachtrug] -- hat nachgetragen |
achternadragen | droeg achterna [achternadroeg] -- heeft achternagedragen | nachtragen | trug nach [nachtrug] -- hat nachgetragen |
opdragen | droeg op [opdroeg] -- heeft opgedragen | rauftragen | trug rauf [rauftrug] -- hat raufgetragen | [umgangssprachlich]
uitdragen | droeg uit [uitdroeg] -- heeft uitgedragen | raustragen | trug raus [raustrug] -- hat rausgetragen | [umgangssprachlich]
indragen | droeg in [indroeg] -- heeft ingedragen | reintragen | trug rein [reintrug] -- hat reingetragen | [umgangssprachlich]
rondvertellen | vertelde rond [rondvertelde] -- heeft rondverteld | rumtragen | trug rum [rumtrug] -- hat rumgetragen |
verklappen | verklapte -- heeft verklapt | rumtragen | trug rum [rumtrug] -- hat rumgetragen |
rondbrieven | briefde rond [rondbriefde] -- heeft rondgebriefd | rumtragen | trug rum [rumtrug] -- hat rumgetragen |
omdragen | droeg om [omdroeg] -- heeft omgedragen | rumtragen | trug rum [rumtrug] -- hat rumgetragen |
aanhebben | had aan [aanhad] -- heeft aangehad | [hebben] tragen | trug -- hat getragen |
dragen | droeg -- heeft gedragen | tragen | trug -- hat getragen |
verduren | verduurde -- heeft verduurd | tragen | trug -- hat getragen |
verdragen | verdroeg -- heeft verdragen | tragen | trug -- hat getragen |
houden | hield -- heeft gehouden | tragen | trug -- hat getragen |
sjouwen | sjouwde -- heeft gesjouwd | tragen | trug -- hat getragen |
hebben | had -- heeft gehad | tragen | trug -- hat getragen | [Bedenken]
sterk genoeg zijn tragen | trug -- hat getragen | [Eis]
omdragen | droeg om [omdroeg] -- heeft omgedragen | umhertragen | trug umher [umhertrug] -- hat umhergetragen |
voordragen | droeg voor [overdroeg] -- heeft voorgedragen | vortragen | trug vor [vortrug] -- hat vorgetragen |
te berde brengen vortragen | trug vor [vortrug] -- hat vorgetragen |
kenbaar maken vortragen | trug vor [vortrug] -- hat vorgetragen |
declameren | declameerde -- heeft gedeclameerd | vortragen | trug vor [vortrug] -- hat vorgetragen |
aanvoeren | voerde aan [aanvoerde] -- heeft aangevoerd | [voeren] vortragen | trug vor [vortrug] -- hat vorgetragen | [Beweise / Argumente]
wegdragen | droeg weg [wegdroeg] -- heeft weggedragen | [dragend verwijderen] wegtragen | trug weg [wegtrug] -- hat weggetragen |
bijeenbrengen | bracht bijeen [bijeenbracht] -- heeft bijeengebracht | zusammentragen | trug zusammen [zusammentrug] -- hat zusammengetragen |
verzamelen | verzamelde -- heeft verzameld | zusammentragen | trug zusammen [zusammentrug] -- hat zusammengetragen |
overbrengen | bracht over [overbracht] -- heeft overgebracht | zutragen | trug zu [zutrug] -- hat zugetragen |
Zusammensetzungen
bijdragen aan | droeg bij aan -- heeft aan ... [aan ... bijdroeg] bijgedragen | [dragen] beitragen zu | trug zu ... bei [bei ... zutrug] -- hat zu ... beigetragen | [tragen]
bijdragen tot | droeg bij tot [tot ... bijdroeg] -- heeft tot ... bijgedragen | [dragen] beitragen zu | trug zu ... bei [zu ... beitrug] -- hat zu ... beigetragen | [tragen]
brillen | brilde -- heeft gebrild | eine Brille tragen | trug eine Brille -- hat eine Brille getragen |
intekenen | intekende -- heeft ingetekend | sich eintragen | trug sich ein [sich eintrug] -- hat sich eingetragen |
zich inschrijven | schreef zich in [zich inschreef] -- heeft zich ingeschreven | sich eintragen | trug sich ein [sich eintrug] -- hat sich eingetragen |
zich afspelen | speelde zich af [zich afspeelde] -- heeft zich afgespeeld | sich zutragen | trug sich zu [sich zutrug] -- hat sich zugetragen |
Redewendungen
leugen en bedrog Lug und Trug
met spek schieten dick auftragen | trug dick auf [dick auftrug] -- hat dick aufgetragen | [sich wichtig machen]
Beispiele
Vroeger werd in Vlaanderen niet de verjaardag maar de naamdag gevierd, de dag van de heilige naar wie men heette. Früher wurde in Flandern nicht der Geburtstag, sondern der Namenstag gefeiert, der Tag des Heiligen, dessen Namen man trug.
Zij droeg oude sieraden. Sie trug alten Schmuck.
Ze droeg de boodschappen naar huis. Sie trug den Einkauf nach Hause.
Zij droeg een betoverende bruidsjurk. Sie trug ein zauberhaftes Brautkleid.
Haar rok reikte tot aan haar enkels. Sie trug einen knöchellangen Rock.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. Trugon

Deutsch

  1. Trugon
  2. trugen