Vertalingen voor 'Pakte'

Voor 'Pakte' werden 50 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afpakken | pakte af [afpakte] -- heeft afgepakt | abnehmen | nahm ab [abnahm] -- hat abgenommen | [jemandem etwas]
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] anfassen | fasste an [anfasste] -- hat angefasst |
[alte Rechtschreibung:]
anfassen | faßte an [anfaßte] -- hat angefaßt |
beetpakken | pakte beet [beetpakte] -- heeft gebeetpakt | anfassen | fasste an [anfasste] -- hat angefasst |
[alte Rechtschreibung:]
anfassen | faßte an [anfaßte] -- hat angefaßt |
vastpakken | pakte vast [vastpakte] -- heeft vastgepakt | anfassen | fasste an [anfasste] -- hat angefasst |
[alte Rechtschreibung:]
anfassen | faßte an [anfaßte] -- hat angefaßt |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | angehen | ging an [anging] -- ist angegangen |
vastpakken | pakte vast [vastpakte] -- heeft vastgepakt | anpacken | packte an [anpackte] -- hat angepackt |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] anpacken | packte an [anpackte] -- hat angepackt | [packen]
oppakken | pakte op [oppakte] -- heeft opgepakt | aufgreifen | griff auf [aufgriff] -- hat aufgegriffen | [eine Person]
oppakken | pakte op [oppakte] -- heeft opgepakt | aufheben | hob auf [aufhob] -- hat aufgehoben |
oppakken | pakte op [oppakte] -- heeft opgepakt | aufnehmen | nahm auf [aufnahm] -- hat aufgenommen |
uitpakken | pakte uit [uitpakte] -- heeft uitgepakt | auspacken | packte aus [auspackte] -- hat ausgepackt |
uitpakken | pakte uit [uitpakte] -- heeft uitgepakt | auswickeln | wickelte aus [auswickelte] -- hat ausgewickelt |
bijpakken | pakte bij [bijpakte] -- heeft bijgepakt | beilegen | legte bei [beilegte] -- hat beigelegt |
bijpakken | pakte bij [bijpakte] -- heeft bijgepakt | dazulegen | legte dazu [dazulegte] -- hat dazugelegt |
bijpakken | pakte bij [bijpakte] -- heeft bijgepakt | dazupacken | packte dazu [dazupackte] -- hat dazugepackt |
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | einmummeln | mummelte ein [einmummelte] -- hat eingemummelt | [in einen Mantel]
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | einmummen | mummte ein [einmummte] -- hat eingemummt | [in einen Mantel]
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | einpacken | packte ein [einpackte] -- hat eingepackt |
pakken | pakte -- heeft gepakt | einpacken | packte ein [einpackte] -- hat eingepackt |
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | einschlagen | schlug ein [einschlug] -- hat eingeschlagen |
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | eintüten | tütete ein [eintütete] -- hat eingetütet |
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | einwickeln | wickelte ein [einwickelte] -- hat eingewickelt |
pakken | pakte -- heeft gepakt | ergreifen | ergriff -- hat ergriffen |
beetpakken | pakte beet [beetpakte] -- heeft gebeetpakt | ergreifen | ergriff -- hat ergriffen |
pakken | pakte -- heeft gepakt | fassen | fasste -- hat gefasst |
[alte Rechtschreibung:]
fassen | faßte -- hat gefaßt |
beetpakken | pakte beet [beetpakte] -- heeft gebeetpakt | fassen | fasste -- hat gefasst |
[alte Rechtschreibung:]
fassen | faßte -- hat gefaßt |
oppakken | pakte op [oppakte] -- heeft opgepakt | festnehmen | nahm fest [festnahm] -- hat festgenommen |
pakken | pakte -- heeft gepakt | greifen | griff -- hat gegriffen |
uitpakken | pakte uit [uitpakte] -- heeft uitgepakt | loslegen | legte los [loslegte] -- hat losgelegt |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] mitnehmen | nahm mit [mitnahm] -- hat mitgenommen | [Krankheit]
pakken | pakte -- heeft gepakt | nehmen | nahm -- hat genommen |
pakken | pakte -- heeft gepakt | packen | packte -- hat gepackt |
inpakken | pakte in [inpakte] -- heeft ingepakt | packen | packte -- hat gepackt |
vastpakken | pakte vast [vastpakte] -- heeft vastgepakt | packen | packte -- hat gepackt |
pakken | pakte -- heeft gepakt | schnappen | schnappte -- hat geschnappt | [Dieb]
ompakken | pakte om [ompakte] -- heeft omgepakt | umpacken | packte um [umpackte] -- hat umgepackt |
pakken | pakte -- heeft gepakt | verstauen | verstaute -- hat verstaut |
wegpakken | pakte weg [wegpakte] -- heeft weggepakt | wegnehmen | nahm weg [wegnahm] -- hat weggenommen |
afpakken | pakte af [afpakte] -- heeft afgepakt | wegnehmen | nahm weg [wegnahm] -- hat weggenommen |
wegpakken | pakte weg [wegpakte] -- heeft weggepakt | wegschnappen | schnappte weg [wegschnappte] -- hat weggeschnappt |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] zugreifen | griff zu [zugriff] -- hat zugegriffen |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] zupacken | packte zu [zupackte] -- hat zugepackt |
samenpakken | pakte samen [samenpakte] -- heeft samengepakt | zusammenpacken | packte zusammen [zusammenpackte] -- hat zusammengepackt |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] herangehen an | ging an ... heran [an ... heranging] -- ist an ... herangegangen |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | [pakken] sich einfangen | fing sich ein [sich einfing] -- hat sich eingefangen | [Krankheit]
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | sich vorknöpfen | knöpfte sich vor [sich vorknöpfte] -- hat sich vorgeknöpft |
aanpakken | pakte aan [aanpakte] -- heeft aangepakt | in Angriff nehmen
Zusammensetzungen
groot uitpakken | pakte groot uit [groot uitpakte] -- heeft groot uitgepakt | auftrumpfen | trumpfte auf [auftrumpfte] -- hat aufgetrumpft |
zich samenpakken | pakte zich samen [zich samenpakte] -- heeft zich samengepakt | zusammenziehen | zog zusammen [zusammenzog] -- hat zusammengezogen | [Wolken / Unheil]
zich samenpakken | pakte zich samen [zich samenpakte] -- heeft zich samengepakt | sich zusammenballen | ballte sich zusammen [sich zusammenballte] -- hat sich zusammengeballt | [Wolken / Unheil]
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl: