|
de mossel [f] | de mosselen [p] / de mossels [p]
|
die Miesmuschel | die Miesmuscheln [p]
|
|
|
|
de mossel [f] | de mosselen [p] / de mossels [p]
|
die Muschel | die Muscheln [p]
|
|
|
|
|
|
de mollusken: slakken, mossels, inktvissen
|
die Mollusken: Schnecken, Muscheln und Tintenfische
|
|
|
|
Men moet geen mosselen roepen, eer zij aan de kaai zijn.
|
Man soll den Tag nicht vor dem Abend loben.
|
|
|
|
Voordat moderne droogdokken bestonden, duidde kielhalen op een noodzakelijk onderhoudwerk aan de scheepsromp voor het reinigen van mosselen, het dichten van lekken of het aanbrengen van verse teer.
|
Bevor es moderne Trockendocks gab, bezeichnete Kielholen eine notwendige Wartungsarbeit am Schiffsrumpf für Reinigungen von Muscheln, Flicken von Löchern oder Auftrag frischen Teers.
|
|
|
|
Het disciplinaire kielhalen eindigde vaak dodelijk, omdat de delinquenten verdronken of door scherpe zeepokken en mosselen aan de scheepsromp ernstig gewond raakten.
|
Das disziplinarische Kielholen endete oft tödlich, weil die Delinquenten ertranken oder durch scharfkantige Seepocken und Muscheln am Schiffsrumpf schwer verletzt wurden.
|
|
|
|
De bekendste weekdieren zijn de slakken, mosselen en inktvissen.
|
Die bekanntesten Weichtiere sind Schnecken, Muscheln und Tintenfische.
|
|
|
|
de groenlippige mossel [Perna canaliculus]
|
die Grünlippmuschel [alte Rechtschreibung:] die Grünlipp-Muschel [Perna canaliculus]
|
|
|
|
de mossel [Mytilus edulis]
|
die Miesmuschel [Mytilus edulis]
|
|
|