Vertalingen voor 'wandelen'

Voor 'wandelen' werden 32 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
de wandel [m] | de wandelen [p] der Spaziergang | die Spaziergänge [p]
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | gassigehen | ging gassi [gassiging] -- ist gassigegangen |
wandelen | wandelde -- heeft/is gewandeld | spazieren | spazierte -- ist spaziert |
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | spazieren | spazierte -- ist spaziert |
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | spazierenführen | führte spazieren [spazierenführte] -- hat spazierengeführt |
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | spazierengehen | ging spazieren [spazierenging] -- ist spazierengegangen |
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | walken | walkte -- ist gewalkt |
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | wandeln | wandelte -- ist gewandelt |
wandelen | wandelde -- heeft/is gewandeld | wandern | wanderte -- ist gewandert |
wandelen | wandelde -- heeft gewandeld | sich wandeln | wandelte sich -- hat sich wandelt |
Zusammensetzungen
het slenterend wandelen der Bummel | die Bummel [p]
lopen te wandelen spazieren | spazierte -- ist spaziert |
gaan wandelen spazierengehen | ging spazieren [spazierenging] -- ist spazierengegangen |
lange afstanden wandelen wandern | wanderte -- ist gewandert |
met de hond gaan wandelen den Hund gassiführen
door de verdediging van de tegenstander wandelen die Verteidigung des Gegners wegputzen
een eindje wandelen ein Stückchen spazierengehen
even gaan wandelen ein paar Schritte gehen
wat heen en weer wandelen ein wenig hin und her spazieren
met een blinde gaan wandelen einen Blinden spazierenführen
gaan wandelen einen Spaziergang machen
in de vreze des Heren wandelen in der Furcht des Herrn wandeln
met de hond gaan wandelen mit dem Hund Gassi gehen
lekker relaxen, gezellig samenzijn, zwemmen, wandelen, kanovaren en fietsen schön relaxen, gemütlich beisammen sein, schwimmen, spazierengehen, Kanu und Rad fahren
Beispiele
Daarboven hebben we gewandeld. Dort oben sind wir langspaziert. / Dort oben sind wir entlangspaziert.
Ik heb al gewandeld. Ich bin schon spazieren gegangen.
Ik heb al gewandeld. Ich bin schon spazieren gewesen.
Ik heb al gewandeld. Ich habe schon einen Spaziergang gemacht.
Jezus doet veel wonderen met water in wijn veranderen, de kalmen van de wind, brood vermenigvuldigen en op water wandelen. Jesus vollbringt viele Wunder wie Wasser in Wein verwandeln, den Wind beruhigen, Brot vermehren und auf dem Wasser wandeln.
Wil je morgen met mij gaan wandelen? Willst du morgen mit mir spazieren gehen?
We zijn wezen wandelen. Wir haben einen Spaziergang gemacht.
De gewone octopus [Octopus vulgaris] gebruikt zijn acht armen om er mee over de zeebodem te wandelen. der Gewöhnliche Krake [Octopus vulgaris] benutzt seine acht Arme, um damit über dem Meeresboden spazierenzugehen.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. wandelende
  2. wandelend

Deutsch