Vertalingen voor 'bewijzen'

Voor 'bewijzen' werden 107 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | [d.m.v. een document] belegen | belegte -- hat belegt |
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | [aantonen dat iets zo is] beweisen | bewies -- hat bewiesen |
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | [betuigen] bezeugen | bezeugte -- hat bezeugt |
het bewijs | de bewijzen [p] der Ausweis | die Ausweise [p]
het bewijs | de bewijzen [p] [schriftelijke verklaring] der Beleg | die Belege [p]
het bewijs | de bewijzen [p] [feit / redenering / teken] der Beweis | die Beweise [p]
het bewijs | de bewijzen [p] [feit / redenering] der Nachweis | die Nachweise [p]
het bewijs | de bewijzen [p] [reçu] der Schein | die Scheine [p]
het bewijs | de bewijzen [p] [schriftelijke verklaring] die Bescheinigung | die Bescheinigungen [p]
het bewijs | de bewijzen [p] die Beweisanforderung | die Beweisanforderungen [p]
het bewijs | de bewijzen [p] [akte] die Urkunde | die Urkunden [p]
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | erbringen | erbrachte -- hat erbracht | [Dienst]
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | [aantonen dat iets zo is] erweisen | erwies -- hat erwiesen |
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | leisten | leistete -- hat geleistet | [Dienst]
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | [aantonen dat iets zo is] nachweisen | wies nach [nachwies] -- hat nachgewiesen |
bewijzen | bewees -- heeft bewezen | [betuigen] unter Beweis stellen
Zusammensetzungen
het bewijs van onvermogen | de bewijzen van onvermogen [p] [juridisch] das Armenrechtszeugnis | die Armenrechtszeugnisse [p]
het bewijs van onvermogen | de bewijzen van onvermogen [p] das Armutszeugnis | die Armutszeugnisse [p]
het bewijs van beroepsbekwaamheid | de bewijzen van beroepsbekwaamheid [p] das Befähigungszeugnis | die Befähigungszeugnisse [p]
het bewijs van goed gedrag | de bewijzen van goed gedrag [p] das Führungszeugnis | die Führungszeugnisse [p]
het bewijs van goed gedrag en zeden | de bewijzen van goed gedrag en zeden [p] das Führungszeugnis | die Führungszeugnisse [p]
het bewijs van goed zedelijk gedrag | de bewijzen van goed zedelijk gedrag [p] das Führungszeugnis | die Führungszeugnisse [p]
het bewijs van goed gedrag | de bewijzen van goed gedrag [p] das Leumundszeugnis | die Leumundszeugnisse [p]
het bewijs van goed gedrag en zeden | de bewijzen van goed gedrag en zeden [p] das Leumundszeugnis | die Leumundszeugnisse [p]
het bewijs van goed zedelijk gedrag | de bewijzen van goed zedelijk gedrag [p] das Leumundszeugnis | die Leumundszeugnisse [p]
het bewijs van goed gedrag | de bewijzen van goed gedrag [p] das Unbescholtenheitszeugnis | die Unbescholtenheitszeugnisse [p]
het bewijs van goed gedrag en zeden | de bewijzen van goed gedrag en zeden [p] das Unbescholtenheitszeugnis | die Unbescholtenheitszeugnisse [p]
het bewijs van goed zedelijk gedrag | de bewijzen van goed zedelijk gedrag [p] das Unbescholtenheitszeugnis | die Unbescholtenheitszeugnisse [p]
het bewijs van inklaring | de bewijzen van inklaring [p] der Abfertigungsschein | die Abfertigungsscheine [p]
het bewijs van aflevering | de bewijzen van aflevering [p] der Abliefernachweis | die Abliefernachweise [p]
het bewijs van afgifte | de bewijzen van afgifte [p] der Ablieferungsschein | die Ablieferungsscheine [p]
het bewijs van niet-Joodse afkomst | de bewijzen van niet-Joodse afkomst [p] [nazi] der Ariernachweis | die Ariernachweise [p]
het bewijs van tewerkstelling | de bewijzen van tewerkstelling [p] der Beschäftigungsnachweis | die Beschäftigungsnachweise [p]
de reden voor het samenstellen en documentatie van bewijzen der Beweissicherungsgrund | die Beweissicherungsgründe [p]
het bewijs van afgifte | de bewijzen van afgifte [p] der Einlieferungsschein | die Einlieferungsscheine [p]
het bewijs van ontvangst | de bewijzen van ontvangst [p] der Empfangsbeleg | die Empfangsbelege [p]
het bewijs van inschrijving van de Kamer van Koophandel | de bewijzen van inschrijving van de Kamer van Koophandel [p] der Gewerbenachweis | die Gewerbenachweis [p]
het middellijke bewijs | de middellijke bewijzen [p]
een middellijk bewijs | middellijke bewijzen [p]
der Indizienbeweis | die Indizienbeweise [p]
ein Indizienbeweis | Indizienbeweise [p]
het bewijs van aankoop | de bewijzen van aankoop [p] der Kaufbeleg | die Kaufbelege [p]
het bewijs dat aangeeft dat iets is afgesloten met goed gevolg | de dat aangeeft dat iets is met goed gevolg is afgesloten bewijzen [p] der Leistungsnachweis | die Leistungsnachweise [p]
het bewijs van levering | de bewijzen van levering [p] der Lieferschein | die Lieferscheine [p]
het bewijs van afgifte | de bewijzen van afgifte [p] der Lieferschein | die Lieferscheine [p]
het bewijs van oorsprong | de bewijzen van oorsprong [p] der Ursprungsnachweis | die Ursprungsnachweise [p]
het bewijs van betaling | de bewijzen van betaling [p] der Zahlungsbeleg | die Zahlungsbelege [p]
het bewijs van betaling | de bewijzen van betaling [p] der Zahlungsnachweis | die Zahlungsnachweise [p]
het bewijs van de betekening of kennisgeving | de bewijzen van de betekening of kennisgeving [p] der Zustellungsnachweis | die Zustellungsnachweise [p]
het bewijs van arbeidsongeschiktheid | de bewijzen van arbeidsongeschiktheid [p]
het bewijs van arbeidsongeschiktheid
die Arbeitsunfähigkeitsbescheinigung | die Arbeitsunfähigkeitsbescheinigungen [p]
die Arbeitsunfähigkeitsbescheinigung / die AU / die AUB
het bewijs van afgifte | de bewijzen van afgifte [p] die Auslieferungsbescheinigung | die Auslieferungsbescheinigungen [p]
het bewijs van tewerkstelling | de bewijzen van tewerkstelling [p] die Beschäftigungsbescheinigung | die Beschäftigungsbescheinigungen [p]
het bewijs van goedkeuring | de bewijzen van goedkeuring [p] die Betriebserlaubnis | die Betriebserlaubnisse [p]
het bewijs van goedkeuring | de bewijzen van goedkeuring [p] die Betriebsgenehmigung | die Betriebsgenehmigungen [p]
het samenstellen en documentatie van bewijzen die Beweissicherung
het bewijs van toegang | de bewijzen van toegang [p] die Eintrittskarte | die Eintrittskarten [p]
het bewijs van ontvangst | de bewijzen van ontvangst [p] die Empfangsbescheinigung | die Empfangsbescheinigungen [p]
de bewijs van toelating | de bewijzen van toelating [p] die Immatrikulationsbescheinigung | die Immatrikulationsbescheinigungen [p]
het bewijs van moed | de bewijzen van moed [p] die Mutprobe | die Mutproben [p]
het bewijs van registratie | de bewijzen van registratie [p] [Nederland] die Reisegewerbekarte | die Reisegewerbekarten [p]
het inschrijving bewijs | de inschrijving bewijzen [p] die Schulbescheinigung | die Schulbescheinigungen [p]
... teneinde u te bewijzen ... ..., um Ihnen zu beweisen ...
iets met bewijzen staven Beweise für etwas erbringen
het bewijs van de betekening of kennisgeving | de bewijzen van de betekening of kennisgeving [p] der Nachweis der Zustellung | die Nachweise der Zustellung [p]
het directe bewijs | de directe bewijzen [p]
een direct bewijs | directe bewijzen [p]
der direkte Beweis | die direkten Beweise [p]
ein direkter Beweis | direkte Beweise [p]
het verpletterende bewijs | de verpletterende bewijzen [p]
een verpletterend bewijs | verpletterende bewijzen [p]
der erdrückende Beweis | die erdrückenden Beweise [p]
ein erdrückender Beweis | erdrückende Beweise [p]
het indirecte bewijs | de indirecte bewijzen [p]
een indirect bewijs | indirecte bewijzen [p]
der indirekte Beweis | die indirekten Beweise [p]
ein indirekter Beweis | indirekte Beweise [p]
het constructieve bewijs | de constructieve bewijzen [p]
een constructief bewijs | constructieve bewijzen [p]
der konstruktive Beweis | die konstruktiven Beweise [p]
ein konstruktiver Beweis | konstruktive Beweise [p]
het wiskundige bewijs | de wiskundige bewijzen [p]
een wiskundig bewijs | wiskundige bewijzen [p]
der mathematische Beweis | die mathematischen Beweise [p]
ein mathematischer Beweis | mathematische Beweise [p]
het niet-constructieve bewijs | de niet-constructieve bewijzen [p]
een niet-constructief bewijs | niet-constructieve bewijzen [p]
der nicht-konstruktive Beweis | die nicht-konstruktiven Beweise [p]
ein nicht-konstruktiver Beweis | nicht-konstruktive Beweise [p]
het wettige bewijs | de wettige bewijzen [p]
een wettig bewijs | wettige bewijzen [p]
der rechtsgültige Beweis | die rechtsgültigen Beweise [p]
ein rechtsgültiger Beweis | rechtsgültige Beweise [p]
het doorslaande bewijs | de doorslaande bewijzen [p]
een doorslaand bewijs | doorslaande bewijzen [p]
der schlagende Beweis | die schlagenden Beweise [p]
ein schlagender Beweis | schlagende Beweise [p]
het overtuigende bewijs | de overtuigende bewijzen [p]
een overtuigend bewijs | overtuigende bewijzen [p]
der schlagende Beweis | die schlagenden Beweise [p]
ein schlagender Beweis | schlagende Beweise [p]
het overtuigende bewijs | de overtuigende bewijzen [p]
een overtuigend bewijs | overtuigende bewijzen [p]
der überzeugende Beweis | die überzeugenden Beweise [p]
ein überzeugender Beweis | überzeugende Beweise [p]
van een oorkonde de echtheid bewijzen die Echtheit einer Urkunde nachweisen
een gunst bewijzen eine Gunst erweisen
een stelling bewijzen eine These beweisen
iets Schriftuurlijk bewijzen etwas anhand der Bibel belegen
iets met bewijzen staven etwas durch Beweise erhärten
iets deugdelijk bewijzen etwas stichhaltig beweisen
iemand attenties bewijzen [p] jemandem Aufmerksamkeiten erweisen [p]
iemand attenties bewijzen [p] jemandem Gefälligkeiten erweisen [p]
iemand een dienst bewijzen jemandem eine Gefälligkeit erweisen
iemand een dienst bewijzen jemandem einen Dienst erweisen
iemand een liefdedienst bewijzen jemandem einen Liebesdienst erweisen
iemand hulde bewijzen jemandem huldigen
iemand zijn respect bewijzen jemandem seinen Respekt bezeugen
de schuld van iemand aan iets bewijzen jemanden einer Sache überführen
iemands onschuld bewijzen jemandes Unschuld beweisen
het alibi bewijzen sein Alibi beweisen
zich bewijzen | bewees zich -- heeft zich bewezen | sich bewähren | bewährte sich -- hat sich bewährt |
Redewendungen
moed bewijzen Mut beweisen
moed bewijzen Mut zeigen
lippendienst bewijzen aan die reine Rhetorik sein
lippendienst bewijzen aan ein Lippenbekenntnis ablegen
de tafel de nodige eer bewijzen etwas sich schmecken lassen
iemand de laatste eer bewijzen jemandem die letzte Ehre erweisen
iemand een slechte dienst bewijzen jemandem einen Bärendienst erweisen
iemand een kwaade dienst bewijzen jemandem einen Bärendienst erweisen
iemand een slechte dienst bewijzen jemandem einen schlechten Dienst erweisen
iemand een kwaade dienst bewijzen jemandem einen schlechten Dienst erweisen
iemand hand- en spandiensten bewijzen jemandem zur Hand gehen
de tafel de nodige eer bewijzen mit Appetit und Genuss zugreifen
[alte Rechtschreibung:]
mit Appetit und Genuß zugreifen
zichzelf moeten bewijzen sich selber beweisen müssen
Beispiele
De bewijzen stapelen zich op. Die Beweise häufen sich.
Een rijksbreed onderzoek
heeft geen bewijzen opgeleverd voor structurele misstanden.
Eine landesweite Studie hat keine Beweise für strukturelle Missstände geliefert.
Hij heeft zijn onschuld bewezen. Er hat seine Unschuld bewiesen.
Ze bewees grote moed in de storm. Sie bewies großen Mut im Sturm.
Ze wil haar onschuld bewijzen. Sie will ihre Unschuld beweisen.
Titel
Bewijzen Beweise [Erich von Däniken]
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl: