Vertalingen voor 'sprak'

Voor 'sprak' werden 62 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afspreken | sprak af [afsprak] -- heeft afgesproken | abmachen | machte ab [abmachte] -- hat abgemacht |
afspreken | sprak af [afsprak] -- heeft afgesproken | absprechen | sprach ab [absprach] -- hat abgesprochen |
aanspreken | sprak aan [aansprak] -- heeft aangesproken | anbrechen | brach an [anbrach] -- hat angebrochen | [Vorrat]
aanspreken | sprak aan [aansprak] -- heeft aangesproken | angreifen | griff an [angriff] -- hat angegriffen | [Vorrat]
aanspreken | sprak aan [aansprak] -- heeft aangesproken | anreden | redete an [anredete] -- hat angeredet |
aanspreken | sprak aan [aansprak] -- heeft aangesproken | ansprechen | sprach an [ansprach] -- hat angesprochen |
afspreken | sprak af [afsprak] -- heeft afgesproken | ausmachen | machte aus [ausmachte] -- hat ausgemacht |
uitspreken | sprak uit [uitsprak] -- heeft uitgesproken | ausreden | redete aus [ausredete] -- hat ausgeredet |
uitspreken | sprak uit [uitsprak] -- heeft uitgesproken | aussprechen | sprach aus [aussprach] -- hat ausgesprochen | [ein Wort / seinen Dank]
uitspreken | sprak uit [uitsprak] -- heeft uitgesproken | aussprechen | sprach aus [aussprach] -- hat ausgesprochen | [etwas / zu Ende sprechen]
inspreken | sprak in [insprak] -- heeft ingesproken | besprechen | besprach -- hat besprochen |
tegenspreken | sprak tegen [tegensprak] -- heeft tegengesproken bestreiten | bestritt -- hat bestritten |
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [ten gunste van iemand spreken] bitten | bat -- hat gebeten | [fürsprechen für jemanden]
tegenspreken | sprak tegen [tegensprak] -- heeft tegengesproken | dementieren | dementierte -- hat dementiert |
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [grondig bespreken] durchkauen | kaute durch [durchkaute] -- hat durchgekaut | [z.B. ein Thema]
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [grondig bespreken] durchsprechen | sprach durch [durchsprach] -- hat durchgesprochen |
inspreken | sprak in [insprak] -- heeft ingesproken | einsprechen | sprach ein [einsprach] -- hat eingesprochen |
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [grondig bespreken] erörtern | erörterte -- hat erörtert |
vrijspreken | sprak vrij [vrijsprak] -- heeft vrijgesproken | freisprechen | sprach frei [freisprach] -- hat freigesprochen |
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [ten gunste van iemand spreken] fürsprechen | fürsprach -- hat fürgesprochen | [für jemanden]
tegenspreken | sprak tegen [tegensprak] -- heeft tegengesproken | leugnen | leugnete -- hat geleugnet |
afspreken | sprak af [afsprak] -- heeft afgesproken | sich verabreden | verabredete sich [sich verabredete] -- hat sich verabredet |
spreken | sprak -- heeft gesproken | sprechen | sprach -- hat gesprochen |
uitspreken | sprak uit [uitsprak] -- heeft uitgesproken | [vonnis] sprechen | sprach -- hat gesprochen |
afspreken | sprak af [afsprak] -- heeft afgesproken | verabreden | verabredete -- hat verabredet |
uitspreken | sprak uit [uitsprak] -- heeft uitgesproken | [vonnis] verkünden | verkündete -- hat verkündet |
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [als voorbeeld spreken] vorsprechen | sprach vor [vorsprach] -- hat vorgesprochen |
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [doorgaan met spreken] weiterreden | redete weiter [weiterredete] -- hat weitergeredet |
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [doorgaan met spreken] weitersprechen | sprach weiter [weitersprach] -- hat weitergesprochen |
tegenspreken | sprak tegen [tegensprak] -- heeft tegengesproken | widerreden | widerredetehat widerredet |
tegenspreken | sprak tegen [tegensprak] -- heeft tegengesproken | widersprechen | widersprach -- hat widersprochen |
toespreken | sprak toe [toesprak] -- heeft toegesproken | zureden | redete zu [zuredete] -- hat zugeredet |
toespreken | sprak toe [toesprak] -- heeft toegesproken | zusprechen | sprach zu [zusprach] -- hat zugesprochen |
inspreken | sprak in [insprak] -- heeft ingesproken | zusprechen | sprach zu [zusprach] -- hat zugesprochen | [jemandem etwas]
uitspreken | sprak uit [uitsprak] -- heeft uitgesproken | äußern | äußerte -- hat geäußert | [Gefühle]
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [ten gunste van iemand spreken] Fürsprache einlegen [für jemanden]
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [ten gunste van iemand spreken] Fürsprache halten [für jemanden]
toespreken | sprak toe [toesprak] -- heeft toegesproken | eine Ansprache halten
toespreken | sprak toe [toesprak] -- heeft toegesproken | eine Rede halten
afspreken | sprak af [afsprak] -- heeft afgesproken | sich abstimmen | stimmte sich ab [sich abstimmte] -- hat sich abgestimmt |
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [doorgaan met spreken] ununterbrochen reden
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [doorgaan met spreken] ununterbrochen sprechen
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [ten gunste van iemand spreken] ein gutes Wort einlegen [für jemanden]
doorspreken | sprak door [doorsprak] -- heeft doorgesproken | [doorgaan met spreken] reden wie ein Wasserfall
voorspreken | sprak voor [voorsprak] -- heeft voorgesproken | [ten gunste van iemand spreken] sich stark machen [für jemanden]
Zusammensetzungen
ik sprak aan
jij sprak aan
hij sprak aan
wij spraken aan
jullie spraken aan
zij spraken aan [aanspreken]
ich sprach an
du sprachst an
er sprach an
wir sprachen an
ihr spracht an
sie sprachen an [ansprechen]
ik sprak
jij sprak
hij sprak
wij spraken
jullie spraken
zij spraken [spreken]
ich sprach
du sprachst [alternativ:] du sprachest
er sprach
wir sprachen
ihr spracht [alternativ:] ihr sprachet
sie sprachen [sprechen]
ik sprak af
jij sprak af
hij sprak af
wij spraken af
jullie spraken af
zij spraken af [afspreken]
ich verabredete
du verabredetest
er verabredete
wir verabredeten
ihr verabredetet
sie verabredeten [verabreden]
zich uitspreken | sprak zich uit [zich uitsprak] -- heeft zich uitgesproken | sich aussprechen | sprach sich aus [sich aussprach] -- hat sich ausgesprochen |
Redewendungen
sprak boekdelen sprach Bände
Beispiele
Daarvandaan dat zij er niet over sprak. Daher sprach sie nicht darüber.
Het anabaptisme ontstond in Zürich. De leider van de Reformatie in Zürich, Ulrich Zwingli, sprak zich in 1523 in een studiekring uit voor de volwassendoop. [Wikipedia] Der Anabaptismus entstand in Zürich. Der Reformationsführer in Zürich, Ulrich Zwingli, sprach sich 1523 in einem Studienkreis für die Erwachsenentaufe aus.
De spreker sprak tot de talloze demonstranten. Der Redner sprach zu den unzähligen Demonstranten.
Hij sprak zinnige woorden. Er sprach sinnvolle Worte.
Hij sprak haar zakelijk en rustig tegen. Er widersprach ihr sachlich und ruhig.
Haar hartje rikketikte nog wilder in haar jonge borst. De jongeman sprak met een diepe stem: ... Ihr Herzchen klopfte noch wilder in ihrer jungen Brust. Der Jüngling sprach mit tiefer Stimme: ...
Ze voelde dat er iets niet klopte voor iemand sprak. Sie fühlte, dass etwas nicht stimmte, bevor jemand sprach.
Ze sprak haar waardering hartelijk uit. Sie sprach ihre Anerkennung herzlich aus.
Ze sprak met vrienden af om uit te gaan. Sie verabredete sich mit Freunden zum Ausgehen.
En God sprak: Er worde licht. En er werd licht. Und Gott sprach: Es werde Licht. Und es wurde Tag.
Titel
Aldus sprak Bellavista : Napels, liefde en vrijheid [Luciano De Crescenzo, 1928-] Also sprach Bellavista [Luciano De Crescenzo, 1928-]
Aldus sprak Zarathoestra Also sprach Zarathustra [Friedrich Nietzsche, 1844-1900]
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. sprake
  2. spraken
  3. spraak
  4. spaarkas
  5. Spark

Deutsch