Verben

Infinitiv, Präteritum und Partizip Perfekt – regelmäßige, unregelmäßige und starke Verben auf Niederländisch und Deutsch, jeweils mit Beispielsätzen und Übersetzung. Stell den Kurs über die Schaltflächen: Verbgruppe und Sprache wählen, und los.

Infinitiv Präteritum Perfectum Beispielsätze Deutsch
hebben had / hadden heeft gehad

Zij wil meer geduld hebben.

Hij had als kind een papegaai.

Ze heeft altijd geluk gehad.

haben
zijn was / waren is geweest

Je moet eerlijk zijn.

Ze was ooit piloot.

Hij is drie jaar in Japan geweest.

sein
bakken bakte heeft gebakken

Ze wil dit weekend vers brood bakken.

Hij bakte brood voor het hele dorp.

We hebben zelf pizza gebakken.

backen
barsten barstte is gebarsten

De buis kan onder de druk barsten.

De leiding barstte in de vorst.

De dam is 's nachts gebarsten.

bersten
braden braadde heeft gebraden

Hij wil het vlees langzaam braden.

Ze braadde de vis goudbruin.

We hebben aardappelen gebraden.

braten
brengen bracht / brachten heeft gebracht

Kun je mij naar het station brengen?

De postbode bracht een enorm pakket.

Wie heeft het nieuws gebracht?

bringen
denken dacht / dachten heeft gedacht

Daar moet ik eerst goed over denken.

Niemand dacht aan de gevolgen.

Heb je aan de sleutel gedacht?

denken
doen deed / deden heeft gedaan

We moeten ons best doen.

Hij deed alsof hij niets wist.

Je hebt het juiste gedaan.

tun
gaan ging / gingen is gegaan

Wil je morgen met mij wandelen gaan?

Hij ging zonder een woord naar de deur.

Ze is alleen naar huis gegaan.

gehen
heten heette heeft geheten

Hoe moet het nieuwe project heten?

De stad heette vroeger Batavia.

Het heeft geheten dat hij morgen komt.

heißen
laden laadde heeft geladen

We moeten de batterijen voor de reis laden.

Men laadde de goederen in het ruim.

De telefoon heeft eindelijk geladen.

laden
scheiden scheidde heeft/is gescheiden

De muur moet arm en rijk scheiden.

Hij scheidde vrijwillig uit het ambt.

Ze zijn in goed overleg gescheiden.

scheiden
slaan sloeg / sloegen heeft geslagen

Je mag een ander niet slaan.

De bliksem sloeg in op de toren.

Hij heeft de spijker in de muur geslagen.

schlagen
staan stond / stonden heeft/is gestaan

De vaas moet op de vensterbank staan.

Ze stond plotseling voor mijn deur.

De auto heeft urenlang in de file gestaan.

stehen
stoten stootte heeft gestoten

Je moet de deur hard stoten.

Ze stootte toevallig op een oude brief.

Ik heb mijn hoofd gestoten.

stoßen
wassen waste heeft/is gewassen

Je moet je handen voor het eten wassen.

Hij waste zijn handen drie keer.

Heb je de auto al gewassen?

waschen
weven weefde heeft geweven

Ze wil een tapijt van wol weven.

De vrouw weefde tapijten van zijde.

Het lot heeft ons samen geweven.

weben
worden werd / werden is geworden

Hij wil later arts worden.

Ze werd 's nachts beroemd.

De taart is perfect geworden.

werden
wreken wreekte heeft gewroken

Je moet je niet hoeven wreken.

Ze wreekte zich op een onverwacht moment.

De natuur heeft zich gewroken.

rächen
zien zag / zagen heeft gezien

Ik wil dat met eigen ogen zien.

Ze zag de zonsopgang vanaf de top.

We hebben die film twee keer gezien.

sehen