Vertalingen voor 'stond'

Voor 'stond' werden 115 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afstaan | stond af [afstond] -- heeft afgestaan | abgeben | gab ab [angab] -- hat abgegeben |
afstaan | stond af [afstond] -- heeft afgestaan | abtreten | trat ab [abtrat] -- ist abgetreten |
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | assistieren | assistierte -- hat assistiert |
opstaan | stond op [opstond] -- heeft opgestaan | auferstehen | erstand auf [auferstand] -- ist auferstanden |
openstaan | stond open [openstond] -- heeft opengestaan | aufstehen | stand auf [aufstand] -- hat aufgestanden | [Tür / Fenster usw.]
opstaan | stond op [opstond] -- heeft opgestaan | aufstehen | stand auf [aufstand] -- ist aufgestanden |
losstaan | stond los [losstond] -- heeft losgestaan | [openstaan] aufstehen | stand auf [aufstand] -- ist aufgestanden |
rechtstaan | stond recht [rechtstond] -- heeft rechtgestaan | [rechtop gaan staan] aufstehen | stand auf [aufstand] -- ist aufgestanden |
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | aushalten | hielt aus [aushielt] -- hat ausgehalten | [Vergleich]
uitstaan | stond uit [uitstond] -- heeft uitgestaan | ausstehen | stand aus [austand] -- hat ausgestanden |
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [zich inzetten voor] befürworten | befürwortete -- hat befürwortet |
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | beispringen | sprang bei [beisprang] -- ist beigesprungen |
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | beistehen | stand bei [beistand] -- hat beigestanden |
gereedstaan | stond gereed [gereedstond] -- heeft gereedgestaan | [zaken] bereitstehen | stand bereit [bereitstand] -- hat bereitgestanden |
klaarstaan | stond klaar [klaarstond] -- heeft klaargestaan | bereitstehen | stand bereit [bereitstand] -- hat bereitgestanden |
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | bewilligen | bewilligte -- hat bewilligt |
instaan | stond in [instond] -- heeft ingestaan | bürgen | bürgte -- hat gebürgt | [für jemanden]
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | durchstehen | stand durch [durchstand] -- hat durchgestanden |
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | einräumen | räumte ein [einräumte] -- hat eingeräumt |
instaan | stond in [instond] -- heeft ingestaan | einstehen | stand ein [einstand] -- hat eingestanden | [für jemanden]
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [zich inzetten voor] eintreten | trat ein [eintrat] -- ist eingetreten | [für jemanden]
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | erlauben | erlaubte -- hat erlaubt |
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | erleiden | erlitt -- hat erlitten |
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | ertragen | ertrug -- hat ertragen |
vaststaan | stond vast [vaststond] -- heeft vastgestaan | feststehen | stand fest [feststand] -- hat festgestanden |
vrijstaan | stond vrij [vrijstond] -- heeft vrijgestaan | [toegestaan zijn] freistehen | stand frei [freistand] -- hat freigestanden |
leegstaan | stond leeg [leegstond] -- heeft leeggestaan | freistehen | stand frei [freistand] -- hat freigestanden | [leerstehen]
instaan | stond in [instond] -- heeft ingestaan | garantieren | garantierte -- hat garantiert |
aanstaan | stond aan [aanstond] -- heeft aangestaan | gefallen | gefiel -- hat gefallen |
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | genehmigen | genehmigte -- hat genehmigt |
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | gestatten | gestattete -- hat gestattet |
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | gewähren | gewährte -- hat gewährt |
gelijkstaan | stond gelijk [gelijkstond] -- heeft gelijkgestaan | gleichkommen | kam gleich [gleichkam] -- ist gleichgekommen |
instaan | stond in [instond] -- heeft ingestaan | gutsprechen | sprach gut [gutsprach] -- hat gutgesprochen | [bürgen]
instaan | stond in [instond] -- heeft ingestaan | haften | haftete -- hat gehaftet |
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | helfen | half -- hat geholfen |
opstaan | stond op [opstond] -- heeft opgestaan | hochkommen | kam hoch [hochkam] -- ist hochgekommen |
staan | stond -- heeft gestaan | kleiden | kleidete -- hat gekleidet |
aanstaan | stond aan [aanstond] -- heeft aangestaan | laufen | lief -- ist gelaufen | [Gerät]
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [onderdoen] nachstehen | stand nach [nachstand] -- hat nachgestanden |
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [zich inzetten voor] plädieren | plädierte -- hat plädiert | [für jemanden]
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | standhalten | hielt stand [standhielt] -- hat standgehalten |
staan | stond -- heeft gestaan | stehen | stand -- hat gestanden |
stilstaan | stond stil [stilstond] -- heeft stilgestaan | stillstehen | stand still [stillstand] -- hat stillgestanden |
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [verdedigen] verfechten | verfocht -- hat verfochten |
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [verdedigen] vertreten | vertrat -- hat vertreten | [etwas]
leegstaan | stond leeg [leegstond] -- heeft leeggestaan | verwaisen | verwaiste -- ist verwaist |
afstaan | stond af [afstond] -- heeft afgestaan | verzichten | verzichtete -- hat verzichtet | [auf etwas]
tegenstaan | stond tegen [tegenstond] -- heeft tegengestaan | widerstreben | widerstrebte -- hat widerstrebt |
toestaan | stond toe [toestond] -- heeft toegestaan | zugestehen | gestand zu [zugestand] -- hat zugestanden |
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [sport] zurückliegen | lag zurück [zurücklag] -- hat zurückgelegen |
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [onderdoen] zurückstehen | stand zurück [zurückstand] -- hat zurückgestanden |
aanstaan | stond aan [aanstond] -- heeft aangestaan | zusagen | sagte zu [zusagte] -- hat zugesagt |
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | überdauern | überdauerte -- hat überdauert |
afstaan | stond af [afstond] -- heeft afgestaan | überlassen | überließ -- hat überlassen |
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | überstehen | überstand -- hat überstanden |
aanstaan | stond aan [aanstond] -- heeft aangestaan | angelehnt sein [Tür]
rechtstaan | stond recht [rechtstond] -- heeft rechtgestaan | [rechtop staan] aufrecht stehen
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [achtergesteld worden] benachteiligt werden
gereedstaan | stond gereed [gereedstond] -- heeft gereedgestaan | [mbt personen] bereit sein
vrijstaan | stond vrij [vrijstond] -- heeft vrijgestaan | [alleen staan] frei stehen
vrijstaan | stond vrij [vrijstond] -- heeft vrijgestaan | [alleen staan] für sich stehen
rechtstaan | stond recht [rechtstond] -- heeft rechtgestaan | [rechtop staan] gerade stehen
gereedstaan | stond gereed [gereedstond] -- heeft gereedgestaan | [op het punt staan] im Begriff sein [etwas zu tun]
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [sport] im Rückstand liegen
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [sport] im Rückstand sein
leegstaan | stond leeg [leegstond] -- heeft leeggestaan | leer stehen / leerstehen | stand leer [leerstand] -- hat leergestanden |
losstaan | stond los [losstond] -- heeft losgestaan | [niet vaststaan] nicht fest stehen / nicht feststehen | stand nicht fest [nicht feststand] -- hat nicht festgestanden |
losstaan | stond los [losstond] -- heeft losgestaan | [openstaan] offen stehen | stand offen [offen stand] -- hat offen gestanden |
[alte Rechtschreibung:]
offenstehen | stand offen [offenstand] -- hat offengestanden |
openstaan | stond open [openstond] -- heeft opengestaan | offen stehen | stand offen [offen stand] -- hat offen gestanden |
[alte Rechtschreibung:]
offenstehen | stand offen [offenstand] -- hat offengestanden |
doorstaan | stond door [doorstond] -- heeft doorstaan | sich behaupten | behauptete sich -- hat sich behauptet |
gereedstaan | stond gereed [gereedstond] -- heeft gereedgestaan | [mbt personen] sich bereithalten | hielt sich bereit [sich bereithielt] -- hat sich bereitgehalten |
opstaan | stond op [opstond] -- heeft opgestaan | sich erheben | erhob sich -- hat sich erhoben | [aufstehen]
rechtstaan | stond recht [rechtstond] -- heeft rechtgestaan | [rechtop gaan staan] sich erheben | erhob sich [sich erhob] -- hat sich erhoben |
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | sich erinnern | erinnerte sich -- hat sich erinnert |
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | sich vage erinnern
terechtstaan | stond terecht [terechtstond] -- heeft terechtgestaan | sich verantworten müssen
instaan | stond in [instond] -- heeft ingestaan | sich verbürgen | verbürgte sich -- hat sich verbürgt | [für jemanden]
achterstaan | stond achter [achterstond] -- heeft achtergestaan | [onderdoen] unterlegen sein
terechtstaan | stond terecht [terechtstond] -- heeft terechtgestaan | vor Gericht erscheinen
terechtstaan | stond terecht [terechtstond] -- heeft terechtgestaan | vor Gericht stehen
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [voor iets staan] vorgefahren sein
tegenstaan | stond tegen [tegenstond] -- heeft tegengestaan | zuwider sein
opstaan | stond op [opstond] -- heeft opgestaan | [het bed verlaten] aus den Federn kommen
voorstaan | stond voor [voorstond] -- heeft voorgestaan | [heugen] vor Augen stehen [p]
bijstaan | stond bij [bijstond] -- heeft bijgestaan | zur Seite stehen
Zusammensetzungen
er staan | stond er -- heeft er gestaan | dastehen | stand da [dastand] -- hat dagestanden |
het gebouw dat eerder op dezelfde plek stond als het nieuwe gebouw | de gebouwen dat eerder op dezelfde plek stond als het nieuwe gebouw [p] der Vorgängerbau | die Vorgängerbauten [p]
dat ook wel bekend stond als... das auch gut bekannt war als...
stilstaan bij | stond stil bij [bij ... stilstond] -- heeft bij ... stilgestaan | denken an | dachte an [an ... dachte] -- hat an gedacht |
volstaan met | met ... volstond -- heeft met ... volgestaan | sich beschränken auf | beschränkte sich auf ... [sich auf ... beschränkte] -- hat sich auf ... beschränkt |
stilstaan bij | stond stil bij [bij ... stilstond] -- heeft bij ... stilgestaan | sich beschäftigen mit | beschäftigte sich mit [sich mit ... beschäftigte] -- hat sich mit ... beschäftigt |
Redewendungen
Iets stond iemand voor ogen. Etwas stand jemandem vor Augen.
Ik stond perplex. Ich glaub', mich tritt ein Pferd.
tegenstaan | stond tegen [tegenstond] -- heeft tegengestaan | gegen den Strich gehen
Zitate
Ik stond verstomd, mijn haren rezen ten berge en mijn stem stokte in mijn keel.
[Obstipui, steteruntque comae et vox faucibus haesit.]
Ich war starr, und mir sträubte sich das Haar, und die Stimme versagte.
[Obstipui, steteruntque comae et vox faucibus haesit.]
En de velden waar eens Troje stond
[Et campos ubi Troja fuit] [Vergilius, 70 v. Chr.-- 19 v. Chr.]
Und die Felder, wo Troja war
[Et campos ubi Troja fuit] [Vergil, 70 v. Chr.-- 19 v. Chr.]
Beispiele
Ik stond perplex. Ich dachte, mich küsst ein Elch.
[alte Rechtschreibung:]
Ich dachte, mich küßt ein Elch.
Daar stond hij van te kijken. Da stand er und staunte.
de kamer stond blauw van de rook. Das Zimmer war verraucht.
De pitruimte van het veld stond volledig blank. Der Kernraum des Platzes stand vollständig unter Wasser.
De rechter stond uitstel toe. Der Richter gestattete einen Aufschub.
Het Italiaans humanisme stond vanaf het begin -- dit was reeds zo bij Petrarca [Francesco Petrarca, 1304-1374] -- in schril contrast met de rechtswetenschappen. Der italienische Humanismus stand von Anfang anschon bei Petrarca [Francesco Petrarca, 1304-1374] – in scharfem Gegensatz zur Rechtswissenschaft.
De hele buurt stond overeind. Die ganze Nachbarschaft war in Aufregung.
Hij heeft bemerkt dat hij verkeerd stond voorgesorteerd. Er hat bemerkt, dass er sich falsch eingeordnet hat. [Straßenverkehr]
Hij stond van de anderen afgezonderd. Er hatte sich von den anderen abgesondert.
Hij stond bekend om zijn kritiek op de multiculturele samenleving. Er war bekannt für seine Kritik an der multikulturellen Gesellschaft.
Hij wist wat hem te doen stond. Er wusste, was er zu tun hatte.
[alte Rechtschreibung:]
Er wußte, was er zu tun hatte.
De bel stond niet stil. Es klingelte pausenlos.
Er stond het een en ander in je brief wat ik niet zo leuk vond. In Deinem Brief stand einiges, was ich nicht so gut fand.
Menigeen stond een verrassing te verwachten. Manch einen erwartete eine Überraschung.
Nog meer onheil te wachten stond. Noch weiteres Unheil war zu erwarten.
Zij stond wegens moord terecht. Sie hatte sich wegen Mordes zu verantworten.
Ze stond plotseling voor mijn deur. Sie stand plötzlich vor meiner Tür.
De wieg van Richard Wagner stond in Leipzig. die Wiege Richard Wagners stand in Leipzig.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter

Nederlands

  1. stonden

Deutsch