Vertalingen voor 'Viel'

Voor 'Viel' werden 114 vertaling(en) gevonden:

Nederlands Deutsch
Direkte Treffer
afvallen | viel af [afviel] -- is afgevallen | abfallen | fiel ab [abfiel] -- ist abgefallen |
afvallen | viel af [afviel] -- is afgevallen | abmagern | magerte ab [abmagerte] -- ist abgemagert |
afvallen | viel af [afviel] -- is afgevallen | abnehmen | nahm ab [abnahm] -- hat abgenommen |
aanvallen | viel aan [aanviel] -- heeft aangevallen | anfallen | fiel an [anfiel] -- hat angefallen |
overvallen | viel over [overviel] -- heeft overvallen | anfallen | fiel an [anfiel] -- hat angefallen |
aanvallen | viel aan [aanviel] -- heeft aangevallen | anfechten | focht an [anfocht] -- hat angefochten | [juristisch]
aanvallen | viel aan [aanviel] -- heeft aangevallen | angreifen | griff an [angriff] -- hat angegriffen |
opvallen | viel op [opviel] -- is opgevallen | auffallen | fiel auf [auffiel] -- ist aufgefallen |
openvallen | viel open [openviel] -- is opengevallen | [zich openen] aufgehen | ging auf [aufging] -- ist aufgegangen |
wegvallen | viel weg [wegviel] -- is wegvallen | ausfallen | fiel aus [ausfiel] -- ist ausgefallen |
afvallen | viel af [afviel] -- is afgevallen | ausfallen | fiel aus [ausfiel] -- ist ausgefallen | [Sport und im übertragenen Sinn]
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [wegvallen / het genoemde resultaat hebben] ausfallen | fiel aus [ausfiel] -- ist ausgefallen | [Sport]
afvallen | viel af [afviel] -- is afgevallen | ausscheiden | schied aus [ausschied] -- ist ausgeschieden | [Sport und im übertragenen Sinn]
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [wedstrijd staken] ausscheiden | schied aus [ausschied] -- ist ausgeschieden | [Sport]
stilvallen | viel stil [stilviel] -- is stilgevallen | aussetzen | setzte aus [aussetzte] -- hat ausgesetzt |
droogvallen | viel droog [droogviel] -- is drooggevallen | austrocknen | trocknete aus [austrocknete] -- ist ausgetrocknet |
bijvallen | viel bij [bijviel] -- is bijgevallen | [iemand] beipflichten | pflichtete bei [beipflichtete] -- hat beigepflichtet | [jemandem]
lastigvallen | viel lastig [lastigviel] -- heeft lastiggevallen | belästigen | belästigte -- hat belästigt |
lastigvallen | viel lastig [lastigviel] -- heeft lastiggevallen | bemühen | bemühte -- hat bemüht | [mit einer Bitte]
binnenvallen | viel binnen [binnenviel] -- is binnengevallen | einfallen | fiel ein [einfiel] -- ist eingefallen | [militärisch]
binnenvallen | viel binnen [binnenviel] -- is binnengevallen | einlaufen | lief ein [einlief] -- ist eingelaufen | [z.B. in einen Hafen]
voorvallen | viel voor [voorviel] -- is voorgevallen | eintreten | trat ein [eintrat] -- ist eingetreten |
wegvallen | viel weg [wegviel] -- is wegvallen | entfallen | entfiel -- ist entfallen |
tegenvallen | viel tegen [tegenviel] -- is tegengevallen | enttäuschen | enttäuschte -- hat enttäuscht |
vallen | viel -- is gevallen | fallen | fiel -- ist gefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | fallen | fiel -- ist gefallen |
wegvallen | viel weg [wegviel] -- is wegvallen | fortfallen | fiel fort [fortfiel] -- ist fortgefallen |
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | gedeihen | gedieh -- ist gediehen |
[alternativ:]
gedeihen | gedeihte -- ist gediehen |
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [de genoemde aard hebben] geraten | gerietist geraten | [gedeihen]
voorvallen | viel voor [voorviel] -- is voorgevallen | geschehen | geschah -- ist geschehen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | herabfallen | fiel herab [herabfiel] -- ist herabgefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | herabkommen | kam herab [herabkam] -- ist herabgekommen |
binnenvallen | viel binnen [binnenviel] -- is binnengevallen | hereinplatzen | platzte herein [hereinplatzte] -- ist hereingeplatzt |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | herunterfallen | fiel herunter [herunterfiel] -- ist heruntergefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | herunterkommen | kam herunter [herunterkam] -- ist heruntergekommen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | hinabfallen | fiel hinab [hinabfiel] -- ist hinabgefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | hinfallen | fiel hin [hinfiel] -- ist hingefallen |
vallen | viel -- is gevallen | hinfallen | fiel hin [hinfiel]-- ist hingefallen |
achterovervallen | viel achterover [achteroverviel] -- is achterovergevallen | hintenüberfallen | fiel hintenüber [hintenüberfiel] -- ist hintenübergefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | hinunterfallen | fiel hinunter [hinunterfiel] -- ist hinuntergefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | hinunterkommen | kam hinunter [hinunterkam] -- ist hinuntergekommen |
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [losbarsten in woorden] losplatzen | platzte los [losplatzte] -- ist losgeplatzt |
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [tekeergaan] loswettern | wetterte los [loswetterte] -- hat losgewettert |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | niederfallen | fiel nieder [niederfiel] -- ist niedergefallen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | niedergehen | ging nieder [niederging] -- ist niedergegangen |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | rieseln | rieselte -- ist gerieselt |
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | runterfallen | fiel runter [runterfiel] -- ist runtergefallen | [umgangssprachlich]
neervallen | viel neer [neerviel] -- is neergevallen | runterkommen | kam runter [runterkam] -- ist runtergekommen | [umgangssprachlich]
tegenvallen | viel tegen [tegenviel] -- is tegengevallen | schief gehen | ging schief [schief ging] -- ist schief gegangen |
[alte Rechtschreibung:]
schiefgehen | ging schief [schiefging] -- ist schiefgegangen |
stilvallen | viel stil [stilviel] -- is stilgevallen | stillstehen | stand still [stillstand] -- hat stillgestanden |
vallen | viel -- is gevallen | stürzen | stürzte -- ist gestürzt |
omvallen | viel om [omviel] -- is omgevallen | umfallen | fiel um [umfiel] -- ist umgefallen |
omvallen | viel om [omviel] -- is omgevallen | umkippen | kippte um [umkippte] -- ist umgekippt |
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | umkippen | kippte um [umkippte] -- ist umgekippt | [ohnmächtig werden]
omvallen | viel om [omviel] -- is omgevallen | umstürzen | stürzte um [umstürzte] -- ist umgestürzt |
tegenvallen | viel tegen [tegenviel] -- is tegengevallen | [onbekwaam blijken] versagen | versagte -- hat versagt |
voorvallen | viel voor [voorviel] -- is voorgevallen | vorfallen | fiel vor [vorfiel] -- ist vorgefallen |
wegvallen | viel weg [wegviel] -- is wegvallen | wegfallen | fiel weg [wegfiel] -- ist weggefallen |
stukvallen | viel stuk [stukviel] -- is stukgevallen | zerschellen | zerschellte -- ist zerschellt |
[alternativ:]
zerschellen | zerscholl -- ist zerschollen |
stukvallen | viel stuk [stukviel] -- is stukgevallen | zerspringen | zersprang -- ist zersprungen |
toevallen | viel toe [toeviel] -- is toegevallen | zufallen | fiel zu [zufiel] -- ist zugefallen |
dichtvallen | viel dicht [dichtviel] -- is dichtgevallen | zufallen | fiel zu [zufiel] -- ist zugefallen | [z.B. eine Tür]
terugvallen | viel terug [terugviel] -- is teruggevallen | zurückfallen | fiel zurück [zurückfiel] -- ist zurückgefallen |
samenvallen | viel samen [samenviel] -- is samengevallen | zusammenfallen | fiel zusammen [zusammenfiel] -- ist zusammengefallen |
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | zusammenklappen | klappte zusammen [zusammenklappte] -- ist zusammengeklappt | [ohnmächtig werden]
samenvallen | viel samen [samenviel] -- is samengevallen | zusammentreffen | traf zusammen [zusammentraf] -- ist zusammengetroffen |
bijvallen | viel bij [bijviel] -- is bijgevallen | [iemand] zustimmen | stimmte zu [zustimmte] -- hat zugestimmt | [jemandem]
hardvallen | viel hard [hardviel] -- is hardgevallen | Vorwürfe machen
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | ausfallend werden
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | ausfällig werden
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [beledigend] beleidigend werden
meevallen | viel mee [meeviel] -- is meegevallen | besser sein als erwartet
meevallen | viel mee [meeviel] -- is meegevallen | die Erwartungen übertreffen [p]
uitvallen | viel uit [uitviel] -- is uitgevallen | [een uitval doen] einen Ausfall machen
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | einen Schwächeanfall erleiden
openvallen | viel open [openviel] -- is opengevallen | [vacant raken] frei werden | wurde frei [frei wurde] -- ist frei geworden |
tegenvallen | viel tegen [tegenviel] -- is tegengevallen | hinter den Erwartungen zurückbleiben
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | in Ohnmacht fallen
dichtvallen | viel dicht [dichtviel] -- is dichtgevallen | [in het slot] ins Schloss fallen
[alte Rechtschreibung:]
ins Schloß fallen
achterovervallen | viel achterover [achteroverviel] -- is achterovergevallen | nach hinten stürzen
meevallen | viel mee [meeviel] -- is meegevallen | nicht so schlimm sein
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | ohnmächtig werden
voorvallen | viel voor [voorviel] -- is voorgevallen | sich ereignen | ereignete sich [sich ereignete] -- hat sich ereignet |
openvallen | viel open [openviel] -- is opengevallen | [verwonden] sich verletzen | verletzte sich [sich verletzte] -- hat sich verletzt | [durch Hinfallen]
lastigvallen | viel lastig [lastigviel] -- heeft lastiggevallen | zur Last fallen
toevallen | viel toe [toeviel] -- is toegevallen | zuteil werden
vallen | viel -- is gevallen | 'ne Sonne schießen [mit dem Fahrrad stürzen]
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | aus den Latschen kippen
flauwvallen | viel flauw [flauwviel] -- is flauwgevallen | aus den Pantinen kippen
omhoogvallen | viel omhoog [omhoogviel] -- is omhooggevallen | die Treppe hinauffallen
meevallen | viel mee [meeviel] -- is meegevallen | halb so schlimm sein
stukvallen | viel stuk [stukviel] -- is stukgevallen | in Stücke springen
Zusammensetzungen
uitvallen tegen | viel tegen ... uit [tegen ... uitviel] -- is tegen ... uitgevallen | anfahren | fuhr an [anfuhr] -- hat angefahren | [im übertragenen Sinn]
vallen op | viel op [opviel] -- is op ... gevallen | entfallen auf | entfiel auf -- ist auf ... entfallen |
aanvallen op | viel op ... aan [op ... aanviel] -- heeft op ... aangevallen | herfallen über | fiel über ... her [über ... herfiel] -- ist über ... hergefallen |
terugvallen op | viel op ... terug [op ... terugviel] -- is op ... teruggevallen | zurückgreifen auf | griff auf ... zurück [auf ... zurückgriff] -- hat auf ... zurückgegriffen |
Redewendungen
Dat viel in goede aarde. Das fiel auf fruchtbaren Boden.
De regen viel bij bakken. Es regnete in Strömen.
De regen viel bij bakken uit de hemel. Es regnete wie aus Eimern.
Het viel me koud op mijn dak. Es war eine kalte Dusche für mich.
De mond viel open. der Mund klappte herunter.
afvallen | viel af [afviel] -- is afgevallen | in den Rücken fallen [jemandem]
niet viel in de pap te brokken hebben nicht viel zu bestellen haben
Beispiele
Het glas viel van de tafel. Das Glas fiel vom Tisch.
Het paard ging ervandoor en de ruiter viel af. Das Pferd ging durch und der Reiter fiel ab.
De bal viel op de lat. Der Ball prallte gegen die Latte.
De opbrengst viel flink tegen. Der Ertrag hat sehr enttäuscht.
De hoofdprijs viel op lotnummer 48. Der Hauptgewinn entfiel auf die Losnummer 48.
Het examen viel reuze mee. Die Prüfung ist glimpflich ausgegangen.
Het viel me op dat hij zweeg. Es fiel mir auf, dass er schwieg.
Mij viel een vreemd geluid op. Mir fiel ein seltsames Geräusch auf.
Met hevigheid viel hij mij aan. Mit Vehemenz griff er mich an.
Zij viel ongelukkig. Sie ist unglücklich gestürzt.
Haar mond viel open van verbazing. Vor Staunen fiel ihr der Kiefer herunter.
[umgangssprachlich:]
Vor Staunen fiel ihr der Kiefer runter.
Wähle den Eintrag durch Anklicken/Berühren aus.
Hinweise übermittelt – Anzahl:

Ähnliche Wörter