Verben

Infinitiv, Präteritum und Partizip Perfekt – regelmäßige, unregelmäßige und starke Verben auf Niederländisch und Deutsch, jeweils mit Beispielsätzen und Übersetzung. Stell den Kurs über die Schaltflächen: Verbgruppe und Sprache wählen, und los.

Infinitiv Präteritum Perfectum Beispielsätze Deutsch
aanbieden bood aan heeft aangeboden

We willen onze hulp aanbieden.

Hij bood haar spontaan hulp aan.

Men heeft ons een korting aangeboden.

anbieten
aannemen nam aan heeft aangenomen

Je moet het aanbod serieus aannemen.

Ze nam de uitdaging meteen aan.

Het wetsvoorstel is unaniem aangenomen.

annehmen
afnemen nam af heeft afgenomen

De spanning moet na de finale afnemen.

De koorts nam langzaam af.

Het aantal klachten is sterk afgenomen.

abnehmen
bederven bedierf heeft/is bedorven

Het vlees mag in de hitte niet bederven.

Een regenbui bedierf het feest.

De melk is 's nachts bedorven.

verderben
bedragen bedroeg heeft bedragen

De totale kosten mogen niet meer dan duizend euro bedragen.

De afstand bedroeg precies tien kilometer.

De schade heeft miljoenen bedragen.

betragen
bedriegen bedroog heeft bedrogen

Je mag je vrienden niet bedriegen.

Hij bedroog haar jarenlang.

Ze hebben ons allemaal bedrogen.

betrügen
bedwingen bedwong heeft bedwongen

Hij moet zijn woede bedwingen.

Hij bedwong zijn woede net op tijd.

De brand is snel bedwongen.

bezwingen
beginnen begon is begonnen

We willen zo vroeg mogelijk beginnen.

De regen begon plotseling.

Een nieuw hoofdstuk is begonnen.

beginnen
begrijpen begreep heeft begrepen

Ik wil jou echt begrijpen.

Hij begreep meteen waar het om ging.

Heb je de ernst van de zaak begrepen?

begreifen / verstehen
beschrijven beschreef heeft beschreven

Kun je de situatie precies beschrijven?

De getuige beschreef de dader nauwkeurig.

Niemand heeft dit gevoel ooit beschreven.

beschreiben
bespreken besprak heeft besproken

We moeten dit morgen bespreken.

De directeur besprak de cijfers met het team.

Dat hebben we vorige week al besproken.

besprechen
bestaan bestond is bestaan

Zo iets mag niet meer bestaan.

Het bedrijf bestond honderd jaar.

Die traditie heeft eeuwen bestaan.

bestehen
betrekken betrok heeft/is betrokken

Je moet iedereen bij de beslissing betrekken.

Ze betrok het hele team bij de beslissing.

Hij heeft een nieuw appartement betrokken.

beziehen / einbeziehen
bevelen beval heeft bevolen

Niemand mag een ander bevelen.

Hij beval stilte in de zaal.

Niemand heeft haar iets bevolen.

befehlen
bevriezen bevroor heeft/is bevroren

De leidingen mogen 's winters niet bevriezen.

De vijver bevroor in één nacht.

De leidingen zijn bevroren.

gefrieren
bewegen bewoog heeft bewogen

Je moet elke dag voldoende bewegen.

Haar moed bewoog hem tot handelen.

Niets heeft haar bewogen te blijven.

bewegen
bewijzen bewees heeft bewezen

Ze wil haar onschuld bewijzen.

Ze bewees grote moed in de storm.

Hij heeft zijn onschuld bewezen.

beweisen
bezitten bezat heeft bezeten

Zij wil drie huizen in het centrum bezitten.

De familie bezat generaties lang dit landgoed.

Ze heeft altijd veel geduld bezeten.

besitzen
bezwijken bezweek is bezweken

De brug mag niet onder het gewicht bezwijken.

Hij bezweek aan zijn verwondingen.

De dam is onder de druk bezweken.

erliegen
bidden bad heeft gebeden

Ze wil elke avond bidden.

Hij bad om kracht in moeilijke tijden.

We hebben voor vrede gebeden.

beten
bieden bood heeft geboden

Het hotel wil zijn gasten het beste bieden.

Hij bood haar zijn jas aan.

Het concert heeft een geweldige ervaring geboden.

bieten
bijten beet heeft gebeten

De hond mag niet bijten.

Ze beet hartig in de appel.

De kou heeft in het gezicht gebeten.

beißen
binden bond heeft gebonden

Hij moet de pakjes stevig binden.

Hij bond de boot aan de steiger vast.

De belofte heeft ons gebonden.

binden
blazen blies heeft geblazen

De muzikant wil het stuk perfect blazen.

Ze blies alle kaarsjes in één keer uit.

De storm heeft daken weggeblazen.

blasen
blijken bleek is gebleken

Dat zal vanzelf blijken.

Het bleek achteraf een goed idee.

De geruchten zijn onwaar gebleken.

sich erweisen
blijven bleef is gebleven

Ze wil nog een paar dagen blijven.

Ze bleef kalm ondanks alle chaos.

Hij is tot middernacht gebleven.

bleiben
breken brak heeft/is gebroken

Je mag je belofte niet breken.

Ze brak het record met drie seconden.

Hij heeft zijn arm gebroken.

brechen
buigen boog is gebogen

Ze moet het materiaal voorzichtig buigen.

Hij boog het metaal met blote handen.

De tak is in de wind gebogen.

biegen
delven dolf is gedolven

De mijnwerker moet diep delven.

Hij dolf naar goud in de rivier.

Ze hebben wekenlang gedolven.

graben
doorbreken brak door heeft doorgebroken

Ze wil het patroon doorbreken.

Het water brak door de dijk.

De zangeres is eindelijk doorgebroken.

durchbrechen
dragen droeg heeft gedragen

Hij wil de verantwoordelijkheid dragen.

Ze droeg het slapende kind naar huis.

Deze jurk heb ik nooit gedragen.

tragen
drijven dreef heeft gedreven

De boot moet rustig op het water drijven.

Het bootje dreef stuurloos op zee.

Hij heeft veel sport gedreven.

treiben
dringen drong heeft gedrongen

Het water mag niet door de muren dringen.

Lawaai drong door vanuit de kelder.

Het nieuws is tot de koning gedrongen.

dringen
drinken dronk heeft gedronken

Je moet elke dag genoeg water drinken.

Ze dronk de laatste druppel water.

We hebben op het nieuwe jaar gedronken.

trinken
druipen droop heeft gedropen

Het dak mag bij regen niet druipen.

Verf droop van het plafond.

Het water is van het dak gedropen.

tropfen
duiken dook is gedoken

Ze wil in de zomer in de zee duiken.

Ze dook van de hoge rotsen.

Hij is in de menigte gedoken.

tauchen
dwingen dwong heeft gedwongen

Je kunt niemand dwingen.

De nood dwong hen tot vlucht.

Men heeft hem tot aftreden gedwongen.

zwingen
ervaren ervoer heeft/is ervaren

Je moet dit zelf ervaren.

Ze ervoer een enorme opluchting.

Hij heeft veel tegenslag ervaren.

erfahren
eten at heeft gegeten

We willen vanavond samen eten.

We aten samen onder de sterrenhemel.

Heb je vandaag al iets gegeten?

essen
fluiten floot heeft gefloten

Hij wil de melodie nog een keer fluiten.

De wind floot door de kieren.

De scheidsrechter heeft drie keer gefloten.

pfeifen
gebieden gebood heeft geboden

De situatie kan snel handelen gebieden.

Het fatsoen gebood hem te zwijgen.

De rede heeft halt geboden.

gebieten
gelden gold heeft gegolden

Deze regel moet voor iedereen gelden.

Hij gold als de beste chirurg van het land.

Het kaartje heeft maar één dag gegolden.

gelten
genezen genas is genezen

Hij wil zo snel mogelijk genezen.

Ze genas na een lange ziekte.

Hij is volledig genezen.

genesen
genieten genoot heeft genoten

We willen van de avond genieten.

Ze genoot van de stilte in het bos.

We hebben enorm van de vakantie genoten.

genießen
geven gaf heeft gegeven

Je kunt meer geven dan je denkt.

Hij gaf haar de ring op het strand.

Ze heeft ons een tweede kans gegeven.

geben
gieten goot heeft gegoten

Je moet de planten elke dag gieten.

Het goot de hele dag pijpenstelen.

Wie heeft het beeld van brons gegoten?

gießen
glijden gleed heeft/is gegleden

De boot moet geruisloos over het meer glijden.

Het bootje gleed geruisloos door de mist.

Ze is op het ijs gegleden.

gleiten
graven groef heeft/is gegraven

De archeologen willen daar verder graven.

Ze groef naar verscholen muren.

De archeologen hebben wekenlang gegraven.

graben
grijpen greep heeft gegrepen

Hij moet snel naar het touw grijpen.

Ze greep bliksemsnel naar de bal.

De maatregel heeft eindelijk gegrepen.

greifen
hangen hing heeft/is gehangen

Het schilderij moet recht aan de muur hangen.

Een oude jas hing aan de kapstok.

De mist heeft dagenlang in het dal gehangen.

hängen
heffen hief heeft geheven

De kraan moet de auto voorzichtig heffen.

Ze hief het glas voor een toast.

De kraan heeft de auto geheven.

heben
helpen hielp heeft geholpen

We willen zoveel mogelijk mensen helpen.

Een vreemdeling hielp haar overeind.

Het medicijn heeft meteen geholpen.

helfen
hijsen hees heeft gehesen

De bemanning moet de lading aan boord hijsen.

Men hees de vlag bij zonsopgang.

Ze hebben de lading aan boord gehesen.

hissen
houden hield heeft gehouden

Je moet je aan de afspraken houden.

Hij hield haar hand stevig vast.

Ze heeft haar belofte gehouden.

halten
ingrijpen greep in heeft ingegrepen

De overheid moet snel ingrijpen.

De leraar greep in toen het uit de hand liep.

De overheid heeft snel ingegrepen.

eingreifen
inschenken schonk in heeft ingeschonken

Mag ik je nog een glas inschenken?

De gastheer schonk nog een glas in.

Wie heeft deze thee ingeschonken?

einschenken
kiezen koos heeft gekozen

Je moet zelf kiezen.

Ze koos moed boven comfort.

Ze hebben de perfecte locatie gekozen.

wählen
kijken keek heeft gekeken

Wil je even naar mijn schets kijken?

Hij keek verbaasd om zich heen.

We hebben samen naar de sterren gekeken.

schauen / gucken
klimmen klom is geklommen

Hij wil de steilste rots klimmen.

Ze klom als eerste naar de top.

We zijn de berg op geklommen.

klettern
klinken klonk heeft/is geklonken

De muziek moet mooi klinken.

Haar stem klonk vertrouwd.

De klokken hebben prachtig geklonken.

klingen
knijpen kneep heeft geknepen

Je mag je zusje niet knijpen.

Ze kneep hem in de arm.

Hij heeft voor het examen geknepen.

kneifen
komen kwam is gekomen

Kun je morgen wat vroeger komen?

Ze kwam precies op het juiste moment.

Alle gasten zijn op tijd gekomen.

kommen
kruipen kroop is gekropen

De baby wil overal kruipen.

Hij kroop onder het hek door.

De spin is over mijn bed gekropen.

kriechen
laten liet heeft gelaten

Je moet hem gewoon met rust laten.

Ze liet de sleutel in het slot zitten.

Hij heeft de hond in de auto gelaten.

lassen
lezen las heeft gelezen

Hij wil alle werken van Multatuli lezen.

Hij las het boek in één nacht.

Heb je het artikel al gelezen?

lesen
liegen loog heeft gelogen

Je mag niet liegen.

Hij loog zonder te blozen.

Ze heeft de hele tijd gelogen.

lügen
liggen lag heeft/is gelegen

Het boek moet op het nachtkastje liggen.

De hond lag in de zon.

Het dorp heeft eeuwenlang verborgen gelegen.

liegen
lijden leed heeft geleden

Niemand wil lijden.

De bevolking leed onder de droogte.

Ze heeft lang genoeg geleden.

leiden
lijken leek heeft geleken

Het plan moet op iets haalbaars lijken.

Ze leek op haar grootmoeder.

Dat heeft nergens op geleken.

gleichen / scheinen
lopen liep heeft/is gelopen

Ze wil elke ochtend een uur lopen.

Ze liep de marathon in recordtijd.

Het project is beter gelopen dan verwacht.

laufen
meevallen viel mee heeft/is meegevallen

De kosten kunnen gelukkig meevallen.

Het examen viel reuze mee.

De schade is erg meegevallen.

glimpflich ausgehen
melken molk heeft gemolken

De boerin moet de koeien vroeg melken.

Hij molk tien koeien per dag.

De geiten zijn al gemolken.

melken
meten mat heeft gemeten

Je moet de temperatuur regelmatig meten.

Ze mat de temperatuur elk uur.

Hij heeft de afstand precies gemeten.

messen
mijden meed heeft gemeden

Hij moet bepaalde voedingsmiddelen mijden.

Ze meed hem na de ruzie.

Iedereen heeft het onderwerp gemeden.

meiden
nemen nam heeft genomen

Mag ik nog een stuk nemen?

Ze nam het aanbod meteen aan.

Wie heeft mijn pen genomen?

nehmen
onderbreken onderbrak heeft onderbroken

Je moet mij niet steeds onderbreken.

Een onweersbui onderbrak de wedstrijd.

De verbinding is onderbroken.

unterbrechen
ondernemen ondernam heeft ondernomen

We willen dit jaar iets groots ondernemen.

Hij ondernam een laatste poging.

We hebben veel stappen ondernomen.

unternehmen
ontbijten ontbeet heeft ontbeten

Je moet elke dag goed ontbijten.

Ze ontbeet laat na het feest.

Heb je al ontbeten?

frühstücken
ontspruiten ontsproot is ontsproten

In het voorjaar moet overal groen ontspruiten.

Nieuwe scheuten ontsproten van de ene op de andere dag.

Nieuwe ideeën zijn ontsproten.

sprießen
ontvangen ontving heeft ontvangen

Ze wil de gasten persoonlijk ontvangen.

Hij ontving de Nobelprijs.

We hebben de vergunning ontvangen.

erhalten / empfangen
optreden trad op heeft/is opgetreden

De band wil vanavond optreden.

Ze trad voor het eerst op als zangeres.

Er zijn onverwachte problemen opgetreden.

auftreten
opvallen viel op is opgevallen

Ze wil met haar werk opvallen.

Het viel me op dat hij zweeg.

Dat is nog niemand opgevallen.

auffallen
overdrijven overdreef heeft overdreven

Je moet niet altijd overdrijven.

Ze overdreef het gevaar schromelijk.

Dat heb je nu wel overdreven!

übertreiben
overlijden overleed is overleden

Niemand wil alleen overlijden.

De schrijver overleed op hoge leeftijd.

Ze is vorige week overleden.

versterben
overnemen nam over heeft overgenomen

Ze wil de leiding van het project overnemen.

Hij nam het bedrijf van zijn vader over.

Het bedrijf heeft alle kosten overgenomen.

übernehmen
overtreffen overtrof heeft overtroffen

Ze wil dit jaar haar eigen record overtreffen.

De werkelijkheid overtrof de droom.

Ze heeft zichzelf overtroffen.

übertreffen
overwegen overwoog heeft overwogen

Je moet alle opties zorgvuldig overwegen.

Ze overwoog lang voor ze besliste.

We hebben alle opties overwogen.

erwägen
overwinnen overwon heeft overwonnen

Hij wil zijn angst overwinnen.

Ze overwon haar angst voor de diepte.

Het team heeft alle tegenstanders overwonnen.

überwinden
prijzen prees heeft geprezen

De jury wil het beste werk prijzen.

Men prees zijn dapperheid.

Het werk is veelvuldig geprezen.

preisen
rijden reed heeft/is gereden

Ze wil volgend jaar naar het zuiden rijden.

De trein reed stipt om acht uur.

We zijn door de Alpen gereden.

fahren
rijgen reeg heeft/is geregen

Ze wil de parels zorgvuldig rijgen.

Het meisje reeg bloemen aan een ketting.

Ze heeft de parels zorgvuldig geregen.

aufreihen
rijten reet heeft/is gereten

De storm kan de zeilen rijten.

Het touw reet onder de last.

De ketting is doormidden gereten.

reißen
rijzen rees is gerezen

Het deeg moet een uur rijzen.

De prijzen rezen snel.

Er zijn twijfels gerezen.

steigen
roepen riep heeft geroepen

Je moet meteen de dokter roepen.

Iemand riep mijn naam in het donker.

Heb je al de dokter geroepen?

rufen
ruiken rook heeft geroken

Je kunt de lavendel al van verre ruiken.

Hij rook de rook al van ver.

Heb je aan de bloemen geroken?

riechen
schelden schold heeft gescholden

Je mag de kinderen niet schelden.

De vader schold hem uit voor de leugen.

Ze heeft hem ten onrechte gescholden.

schelten
schenken schonk heeft geschonken

Hij wil het museum een bijzonder schilderij schenken.

De stichting schonk geld aan het ziekenhuis.

Men heeft het museum een Rembrandt geschonken.

schenken
scheren schoor heeft geschoren

De boer moet de schapen in het voorjaar scheren.

Ze schoor het lam in enkele minuten.

Alle schapen zijn al geschoren.

scheren
schieten schoot heeft geschoten

De spits wil eindelijk een doelpunt schieten.

De raket schoot de lucht in.

Hij heeft een prachtige foto geschoten.

schießen
schijnen scheen heeft geschenen

De zon moet morgen weer schijnen.

Alles scheen zo eenvoudig toen.

De maan heeft helder geschenen.

scheinen
schrijven schreef heeft geschreven

Ze wil een roman schrijven.

Hij schreef de brief bij kaarslicht.

Ik heb je gisteren geschreven.

schreiben
schrikken schrok heeft/is geschrokken

Zo'n bericht kan je schrikken.

Hij schrok van de plotselinge bliksem.

Ik ben vreselijk geschrokken.

erschrecken
schuiven schoof heeft/is geschoven

Kun je de kast een stukje schuiven?

Ze schoof de schuld op anderen.

We hebben de auto uit de greppel geschoven.

schieben
slapen sliep heeft/is geslapen

Je moet minstens zeven uur slapen.

Hij sliep ondanks het lawaai diep en vast.

Ik heb al dagen slecht geslapen.

schlafen
slijpen sleep heeft geslepen

Je moet het mes voor het koken slijpen.

Ze sleep de diamant met geduld.

Het glas is perfect geslepen.

schleifen
sluipen sloop is geslopen

Hij wil zich stilletjes door de tuin sluipen.

Hij sloop stilletjes de trap af.

De tijd is voorbij geslopen.

schleichen
sluiten sloot heeft gesloten

Je moet de deur goed sluiten.

Ze sloot de deur zachtjes achter zich.

We hebben vrede gesloten.

schließen
smelten smolt is gesmolten

De boter moet langzaam in de pan smelten.

De sneeuw smolt van de ene op de andere dag.

De boter is op de toast gesmolten.

schmelzen
smijten smeet heeft gesmeten

Je mag de spullen niet zomaar smijten.

Ze smeet de oude kranten weg.

Wie heeft de bal door het raam gesmeten?

schmeißen
snijden sneed heeft gesneden

Kun jij het brood snijden?

Ze sneed het lint plechtig door.

Ik heb me aan het papier gesneden.

schneiden
spinnen spon heeft gesponnen

De spin wil een nieuw web spinnen.

De vrouw spon wol aan het spinnewiel.

De rups heeft zich in zijde gesponnen.

spinnen
spreken sprak heeft gesproken

Ze wil vloeiend Arabisch spreken.

De premier sprak voor duizenden.

We hebben er nog niet over gesproken.

sprechen
springen sprong is gesprongen

Hij wil van de rots in het water springen.

Ze sprong over het hek.

Het glas is bij het verhitten gesprongen.

springen
steken stak heeft gestoken

De bij wil niet steken.

De mug stak hem in de hals.

Een wesp heeft me gestoken.

stechen
stelen stal heeft gestolen

Je mag niet stelen.

Iemand stal het schilderij 's nachts.

Men heeft mijn hart gestolen.

stehlen
sterven stierf is gestorven

Niemand wil aan eenzaamheid sterven.

Hij stierf vredig in zijn slaap.

De plant is helaas gestorven.

sterben
stijgen steeg is gestegen

De temperatuur mag niet boven veertig stijgen.

Ze steeg naar de hoogste top.

De temperatuur is tot 40 graden gestegen.

steigen
stinken stonk heeft gestonken

Het afval mag niet zo stinken.

Het stonk naar rotte eieren.

De kelder heeft altijd al gestonken.

stinken
strijden streed heeft gestreden

Ze wil voor een eerlijke kans strijden.

Ze streden over de beste route.

We hebben nooit echt gestreden.

streiten
strijken streek heeft gestreken

We willen de kamer opnieuw strijken.

Hij streek haar zachtjes over het haar.

De vlucht is geschrapt.

streichen
tegenvallen viel tegen is tegengevallen

Het resultaat mag niet tegenvallen.

De opbrengst viel flink tegen.

Het resultaat is erg tegengevallen.

enttäuschen
terugkomen kwam terug is teruggekomen

Ze wil morgen uit Parijs terugkomen.

Hij kwam laat van zijn werk terug.

De zwaluwen zijn weer teruggekomen.

zurückkommen
toelaten liet toe heeft toegelaten

De universiteit wil meer studenten toelaten.

De bewaker liet ons eindelijk toe.

Ze is tot het examen toegelaten.

zulassen
toenemen nam toe is toegenomen

De spanning moet tot de finale toenemen.

De bevolking nam gestaag toe.

Het verkeer is de laatste jaren flink toegenomen.

zunehmen
toestaan stond toe heeft toegestaan

Dat mag de wet niet toestaan.

De rechter stond uitstel toe.

Fotograferen is hier niet toegestaan.

gestatten / erlauben
treden trad is getreden

Hij moet voorzichtig op het ijs treden.

Hij trad door de deur het licht in.

Ik ben in een plas getreden.

treten
treffen trof heeft getroffen

De maatregel moet de juiste mensen treffen.

Een ramp trof het kustdorp.

De storm heeft de stad zwaar getroffen.

treffen
trekken trok heeft getrokken

We willen volgend jaar naar het platteland trekken.

Ze trok de koffer door de regen.

We zijn vorig jaar naar Amsterdam getrokken.

ziehen
uitgeven gaf uit heeft uitgegeven

De overheid wil een nieuw biljet uitgeven.

Hij gaf al zijn spaargeld uit.

Het boek is in tien talen uitgegeven.

ausgeben / herausgeben
uitkiezen koos uit heeft uitgekozen

Je mag zelf uitkiezen.

De jury koos drie finalisten uit.

Hij is als winnaar uitgekozen.

auswählen
uitspreken sprak uit heeft uitgesproken

De rechter moet het vonnis uitspreken.

Ze sprak haar waardering hartelijk uit.

De jury heeft zich uitgesproken.

aussprechen
uitvinden vond uit heeft uitgevonden

De wetenschapper wil een nieuw vaccin uitvinden.

Edison vond de gloeilamp uit.

Wie heeft het wiel uitgevonden?

erfinden
vallen viel is gevallen

De bladeren moeten ooit vallen.

Het glas viel van de tafel.

Gisteren is de eerste sneeuw gevallen.

fallen
vangen ving heeft gevangen

De visser wil vandaag veel vis vangen.

Hij ving de bal met één hand.

De politie heeft de dief gevangen.

fangen
vastbinden bond vast heeft vastgebonden

Je moet de lading goed vastbinden.

De zeeman bond het touw stevig vast.

De lading is goed vastgebonden.

festbinden
vasthouden hield vast heeft vastgehouden

Hij wil het kind stevig vasthouden.

Ze hield haar mening koppig vast.

De politie heeft de verdachte vastgehouden.

festhalten
vechten vocht heeft gevochten

Je mag niet zomaar vechten.

Ze vocht met groot vakmanschap.

De ridders hebben tot de ochtend gevochten.

fechten / kämpfen
verbergen verborg heeft verborgen

Je kunt de waarheid niet eeuwig verbergen.

Ze verborg de brief onder het kussen.

Het dorp heeft zich in de mist verborgen.

verbergen
verbieden verbood heeft verboden

De school mag dat niet verbieden.

De arts verbood hem te roken.

Men heeft het zwemmen in het meer verboden.

verbieten
verdragen verdroeg heeft verdragen

Je moet meer kritiek kunnen verdragen.

Hij verdroeg de pijn zonder te klagen.

Ze hebben elkaar nooit goed verdragen.

ertragen / vertragen
verdwijnen verdween is verdwenen

De pijn moet snel verdwijnen.

Hij verdween spoorloos in de nacht.

Alle twijfel is verdwenen.

verschwinden
vergelijken vergeleek heeft vergeleken

Je moet de twee aanbiedingen goed vergelijken.

Hij vergeleek de twee aanbiedingen zorgvuldig.

Ik heb de prijzen vergeleken.

vergleichen
vergeten vergat heeft vergeten

Je mag de verjaardag van je moeder niet vergeten.

Ze vergat de tijd helemaal.

Ik ben je verjaardag vergeten!

vergessen
vergeven vergaf heeft vergeven

Je kunt hem vergeven als je er klaar voor bent.

Ze vergaf hem na lange tijd.

Hij heeft haar alles vergeven.

vergeben / verzeihen
verkrijgen verkreeg heeft verkregen

Ze wil het bewijs via de rechtbank verkrijgen.

Ze verkreeg een beurs voor haar studie.

Het bedrijf heeft een patent verkregen.

erwerben / erlangen
verlaten verliet heeft verlaten

Hij wil de stad nooit verlaten.

Ze verliet het land zonder afscheid.

Hij heeft zijn baan verlaten.

verlassen
verliezen verloor heeft verloren

Niemand wil zijn laatste kans verliezen.

Ze verloor de wedstrijd in de laatste seconde.

Hij heeft zijn angst verloren.

verlieren
vermijden vermeed heeft vermeden

Hij moet elk conflict vermijden.

Hij vermeed de drukke straat.

Het ergste hebben we vermeden.

vermeiden
vernemen vernam heeft vernomen

Ik wil graag uw mening vernemen.

Ze vernam het slechte nieuws pas laat.

We hebben niets van haar vernomen.

vernehmen / erfahren
verschijnen verscheen is verschenen

Het boek moet dit jaar nog verschijnen.

Ze verscheen stipt om negen uur.

Het boek is gisteren verschenen.

erscheinen
verslinden verslond heeft verslonden

Hij kan een heel boek per dag verslinden.

De golf verslond het bootje.

Ze heeft het eten verslonden.

verschlingen
verstaan verstond heeft verstaan

Ik wil je goed verstaan.

Ze verstond meteen wat bedoeld werd.

Heb je de vraag verstaan?

verstehen
verwerven verwierf heeft verworven

Ze wil nieuwe vaardigheden verwerven.

Ze verwierf het terrein voor een gunstige prijs.

Het museum heeft een zeldzaam schilderij verworven.

erwerben
vinden vond heeft gevonden

We moeten een betere oplossing vinden.

Hij vond een oude schat in de kelder.

Heb je je bril gevonden?

finden
vlechten vlocht heeft gevlochten

Ze wil een krans van wilde bloemen vlechten.

De grootmoeder vlocht manden bij de rivier.

Wie heeft je de vlechten gevlochten?

flechten
vliegen vloog is gevlogen

Hij wil ooit over de oceaan vliegen.

Ze vloog voor het eerst naar Tokio.

De tijd is voorbij gevlogen.

fliegen
voorkomen kwam voor heeft voorgekomen

We moeten dit soort fouten voorkomen.

Het kwam haar vaag bekend voor.

Zoiets is hier nog nooit voorgekomen.

vorkommen
vreten vrat heeft gevreten

De wolf kan een heel hert vreten.

De roest vrat zich door het metaal.

De geit heeft de tuin leeg gevreten.

fressen
vriezen vroor heeft/is gevroren

Het mag vannacht niet vriezen.

Het meer vroor in januari dicht.

Het water is 's nachts gevroren.

frieren
wegen woog heeft/is gewogen

Het bagage mag niet meer dan twintig kilo wegen.

Hij woog de ingrediënten zorgvuldig af.

De argumenten hebben zwaar gewogen.

wiegen
werpen wierp heeft/is geworpen

Kun jij de bal verder werpen?

Ze wierp de bal over het hek.

Wie heeft de eerste steen geworpen?

werfen
werven wierf heeft/is geworven

Het bedrijf wil nieuwe klanten werven.

Hij wierf om haar gunst.

Ze heeft nieuwe klanten geworven.

werben
weten wist heeft geweten

Ik wil de waarheid weten.

Hij wist meteen het antwoord.

Dat heb ik niet geweten!

wissen
wijken week is geweken

Hij wil geen stap wijken.

De duisternis week voor de dageraad.

De pijn is eindelijk geweken.

weichen
wijzen wees heeft gewezen

Het kompas moet altijd naar het noorden wijzen.

Ze wees op de fout.

Men heeft hem de zaal uit gewezen.

weisen
winden wond heeft gewonden

Het pad moet zich door het bos winden.

Ze wond zich uit zijn armen.

De weg heeft zich de berg op gewonden.

winden
winnen won heeft gewonnen

Iedereen wil wel eens winnen.

Ze won de gouden medaille.

Hij heeft in de loterij gewonnen.

gewinnen
wrijven wreef heeft gewreven

Je moet de kruiden vers wrijven.

Hij wreef de kaas over de pasta.

Het kind heeft zich de ogen gewreven.

reiben
zenden zond heeft gezonden

We moeten de documenten vandaag nog zenden.

De koning zond een bode vooruit.

Ze heeft me een lange brief gezonden.

senden
zingen zong heeft gezongen

Ze wil in een koor zingen.

Ze zong het slaapliedje heel zacht.

We hebben tot middernacht gezongen.

singen
zinken zonk is gezonken

De temperatuur mag niet onder nul zinken.

De temperatuur zonk tot min twintig.

De prijs is drastisch gezonken.

sinken
zitten zat heeft gezeten

Je moet niet de hele dag zitten.

Hij zat urenlang bij het raam.

We hebben de hele avond gezeten.

sitzen
zuigen zoog heeft gezogen

De spons kan al het water zuigen.

De wortels zogen water uit de aarde.

De spons heeft het water opgezogen.

saugen
zwellen zwol is gezwollen

De rivier kan na hevige regen zwellen.

Zijn enkel zwol direct op.

De wond is flink gezwollen.

schwellen
zwemmen zwom is gezwommen

Hij wil elke ochtend een baantje zwemmen.

Hij zwom alleen over het meer.

We zijn in het maanlicht gezwommen.

schwimmen
zweren zwoer heeft gezworen

Je moet niet zo snel zweren.

Hij zwoer wraak voor de rechtbank.

Ze heeft eeuwige trouw gezworen.

schwören
zwijgen zweeg heeft gezwegen

Soms moet je gewoon zwijgen.

Ze zweeg een lange minuut.

Hij heeft te lang gezwegen.

schweigen