| aanbieden |
bood aan |
heeft aangeboden |
We willen onze hulp aanbieden.
Hij bood haar spontaan hulp aan.
Men heeft ons een korting aangeboden.
|
anbieten |
| aannemen |
nam aan |
heeft aangenomen |
Je moet het aanbod serieus aannemen.
Ze nam de uitdaging meteen aan.
Het wetsvoorstel is unaniem aangenomen.
|
annehmen |
| afnemen |
nam af |
heeft afgenomen |
De spanning moet na de finale afnemen.
De koorts nam langzaam af.
Het aantal klachten is sterk afgenomen.
|
abnehmen |
| bederven |
bedierf |
heeft/is bedorven |
Het vlees mag in de hitte niet bederven.
Een regenbui bedierf het feest.
De melk is 's nachts bedorven.
|
verderben |
| bedragen |
bedroeg |
heeft bedragen |
De totale kosten mogen niet meer dan duizend euro bedragen.
De afstand bedroeg precies tien kilometer.
De schade heeft miljoenen bedragen.
|
betragen |
| bedriegen |
bedroog |
heeft bedrogen |
Je mag je vrienden niet bedriegen.
Hij bedroog haar jarenlang.
Ze hebben ons allemaal bedrogen.
|
betrügen |
| bedwingen |
bedwong |
heeft bedwongen |
Hij moet zijn woede bedwingen.
Hij bedwong zijn woede net op tijd.
De brand is snel bedwongen.
|
bezwingen |
| beginnen |
begon |
is begonnen |
We willen zo vroeg mogelijk beginnen.
De regen begon plotseling.
Een nieuw hoofdstuk is begonnen.
|
beginnen |
| begrijpen |
begreep |
heeft begrepen |
Ik wil jou echt begrijpen.
Hij begreep meteen waar het om ging.
Heb je de ernst van de zaak begrepen?
|
begreifen / verstehen |
| beschrijven |
beschreef |
heeft beschreven |
Kun je de situatie precies beschrijven?
De getuige beschreef de dader nauwkeurig.
Niemand heeft dit gevoel ooit beschreven.
|
beschreiben |
| bespreken |
besprak |
heeft besproken |
We moeten dit morgen bespreken.
De directeur besprak de cijfers met het team.
Dat hebben we vorige week al besproken.
|
besprechen |
| bestaan |
bestond |
is bestaan |
Zo iets mag niet meer bestaan.
Het bedrijf bestond honderd jaar.
Die traditie heeft eeuwen bestaan.
|
bestehen |
| betrekken |
betrok |
heeft/is betrokken |
Je moet iedereen bij de beslissing betrekken.
Ze betrok het hele team bij de beslissing.
Hij heeft een nieuw appartement betrokken.
|
beziehen / einbeziehen |
| bevelen |
beval |
heeft bevolen |
Niemand mag een ander bevelen.
Hij beval stilte in de zaal.
Niemand heeft haar iets bevolen.
|
befehlen |
| bevriezen |
bevroor |
heeft/is bevroren |
De leidingen mogen 's winters niet bevriezen.
De vijver bevroor in één nacht.
De leidingen zijn bevroren.
|
gefrieren |
| bewegen |
bewoog |
heeft bewogen |
Je moet elke dag voldoende bewegen.
Haar moed bewoog hem tot handelen.
Niets heeft haar bewogen te blijven.
|
bewegen |
| bewijzen |
bewees |
heeft bewezen |
Ze wil haar onschuld bewijzen.
Ze bewees grote moed in de storm.
Hij heeft zijn onschuld bewezen.
|
beweisen |
| bezitten |
bezat |
heeft bezeten |
Zij wil drie huizen in het centrum bezitten.
De familie bezat generaties lang dit landgoed.
Ze heeft altijd veel geduld bezeten.
|
besitzen |
| bezwijken |
bezweek |
is bezweken |
De brug mag niet onder het gewicht bezwijken.
Hij bezweek aan zijn verwondingen.
De dam is onder de druk bezweken.
|
erliegen |
| bidden |
bad |
heeft gebeden |
Ze wil elke avond bidden.
Hij bad om kracht in moeilijke tijden.
We hebben voor vrede gebeden.
|
beten |
| bieden |
bood |
heeft geboden |
Het hotel wil zijn gasten het beste bieden.
Hij bood haar zijn jas aan.
Het concert heeft een geweldige ervaring geboden.
|
bieten |
| bijten |
beet |
heeft gebeten |
De hond mag niet bijten.
Ze beet hartig in de appel.
De kou heeft in het gezicht gebeten.
|
beißen |
| binden |
bond |
heeft gebonden |
Hij moet de pakjes stevig binden.
Hij bond de boot aan de steiger vast.
De belofte heeft ons gebonden.
|
binden |
| blazen |
blies |
heeft geblazen |
De muzikant wil het stuk perfect blazen.
Ze blies alle kaarsjes in één keer uit.
De storm heeft daken weggeblazen.
|
blasen |
| blijken |
bleek |
is gebleken |
Dat zal vanzelf blijken.
Het bleek achteraf een goed idee.
De geruchten zijn onwaar gebleken.
|
sich erweisen |
| blijven |
bleef |
is gebleven |
Ze wil nog een paar dagen blijven.
Ze bleef kalm ondanks alle chaos.
Hij is tot middernacht gebleven.
|
bleiben |
| breken |
brak |
heeft/is gebroken |
Je mag je belofte niet breken.
Ze brak het record met drie seconden.
Hij heeft zijn arm gebroken.
|
brechen |
| buigen |
boog |
is gebogen |
Ze moet het materiaal voorzichtig buigen.
Hij boog het metaal met blote handen.
De tak is in de wind gebogen.
|
biegen |
| delven |
dolf |
is gedolven |
De mijnwerker moet diep delven.
Hij dolf naar goud in de rivier.
Ze hebben wekenlang gedolven.
|
graben |
| doorbreken |
brak door |
heeft doorgebroken |
Ze wil het patroon doorbreken.
Het water brak door de dijk.
De zangeres is eindelijk doorgebroken.
|
durchbrechen |
| dragen |
droeg |
heeft gedragen |
Hij wil de verantwoordelijkheid dragen.
Ze droeg het slapende kind naar huis.
Deze jurk heb ik nooit gedragen.
|
tragen |
| drijven |
dreef |
heeft gedreven |
De boot moet rustig op het water drijven.
Het bootje dreef stuurloos op zee.
Hij heeft veel sport gedreven.
|
treiben |
| dringen |
drong |
heeft gedrongen |
Het water mag niet door de muren dringen.
Lawaai drong door vanuit de kelder.
Het nieuws is tot de koning gedrongen.
|
dringen |
| drinken |
dronk |
heeft gedronken |
Je moet elke dag genoeg water drinken.
Ze dronk de laatste druppel water.
We hebben op het nieuwe jaar gedronken.
|
trinken |
| druipen |
droop |
heeft gedropen |
Het dak mag bij regen niet druipen.
Verf droop van het plafond.
Het water is van het dak gedropen.
|
tropfen |
| duiken |
dook |
is gedoken |
Ze wil in de zomer in de zee duiken.
Ze dook van de hoge rotsen.
Hij is in de menigte gedoken.
|
tauchen |
| dwingen |
dwong |
heeft gedwongen |
Je kunt niemand dwingen.
De nood dwong hen tot vlucht.
Men heeft hem tot aftreden gedwongen.
|
zwingen |
| ervaren |
ervoer |
heeft/is ervaren |
Je moet dit zelf ervaren.
Ze ervoer een enorme opluchting.
Hij heeft veel tegenslag ervaren.
|
erfahren |
| eten |
at |
heeft gegeten |
We willen vanavond samen eten.
We aten samen onder de sterrenhemel.
Heb je vandaag al iets gegeten?
|
essen |
| fluiten |
floot |
heeft gefloten |
Hij wil de melodie nog een keer fluiten.
De wind floot door de kieren.
De scheidsrechter heeft drie keer gefloten.
|
pfeifen |
| gebieden |
gebood |
heeft geboden |
De situatie kan snel handelen gebieden.
Het fatsoen gebood hem te zwijgen.
De rede heeft halt geboden.
|
gebieten |
| gelden |
gold |
heeft gegolden |
Deze regel moet voor iedereen gelden.
Hij gold als de beste chirurg van het land.
Het kaartje heeft maar één dag gegolden.
|
gelten |
| genezen |
genas |
is genezen |
Hij wil zo snel mogelijk genezen.
Ze genas na een lange ziekte.
Hij is volledig genezen.
|
genesen |
| genieten |
genoot |
heeft genoten |
We willen van de avond genieten.
Ze genoot van de stilte in het bos.
We hebben enorm van de vakantie genoten.
|
genießen |
| geven |
gaf |
heeft gegeven |
Je kunt meer geven dan je denkt.
Hij gaf haar de ring op het strand.
Ze heeft ons een tweede kans gegeven.
|
geben |
| gieten |
goot |
heeft gegoten |
Je moet de planten elke dag gieten.
Het goot de hele dag pijpenstelen.
Wie heeft het beeld van brons gegoten?
|
gießen |
| glijden |
gleed |
heeft/is gegleden |
De boot moet geruisloos over het meer glijden.
Het bootje gleed geruisloos door de mist.
Ze is op het ijs gegleden.
|
gleiten |
| graven |
groef |
heeft/is gegraven |
De archeologen willen daar verder graven.
Ze groef naar verscholen muren.
De archeologen hebben wekenlang gegraven.
|
graben |
| grijpen |
greep |
heeft gegrepen |
Hij moet snel naar het touw grijpen.
Ze greep bliksemsnel naar de bal.
De maatregel heeft eindelijk gegrepen.
|
greifen |
| hangen |
hing |
heeft/is gehangen |
Het schilderij moet recht aan de muur hangen.
Een oude jas hing aan de kapstok.
De mist heeft dagenlang in het dal gehangen.
|
hängen |
| heffen |
hief |
heeft geheven |
De kraan moet de auto voorzichtig heffen.
Ze hief het glas voor een toast.
De kraan heeft de auto geheven.
|
heben |
| helpen |
hielp |
heeft geholpen |
We willen zoveel mogelijk mensen helpen.
Een vreemdeling hielp haar overeind.
Het medicijn heeft meteen geholpen.
|
helfen |
| hijsen |
hees |
heeft gehesen |
De bemanning moet de lading aan boord hijsen.
Men hees de vlag bij zonsopgang.
Ze hebben de lading aan boord gehesen.
|
hissen |
| houden |
hield |
heeft gehouden |
Je moet je aan de afspraken houden.
Hij hield haar hand stevig vast.
Ze heeft haar belofte gehouden.
|
halten |
| ingrijpen |
greep in |
heeft ingegrepen |
De overheid moet snel ingrijpen.
De leraar greep in toen het uit de hand liep.
De overheid heeft snel ingegrepen.
|
eingreifen |
| inschenken |
schonk in |
heeft ingeschonken |
Mag ik je nog een glas inschenken?
De gastheer schonk nog een glas in.
Wie heeft deze thee ingeschonken?
|
einschenken |
| kiezen |
koos |
heeft gekozen |
Je moet zelf kiezen.
Ze koos moed boven comfort.
Ze hebben de perfecte locatie gekozen.
|
wählen |
| kijken |
keek |
heeft gekeken |
Wil je even naar mijn schets kijken?
Hij keek verbaasd om zich heen.
We hebben samen naar de sterren gekeken.
|
schauen / gucken |
| klimmen |
klom |
is geklommen |
Hij wil de steilste rots klimmen.
Ze klom als eerste naar de top.
We zijn de berg op geklommen.
|
klettern |
| klinken |
klonk |
heeft/is geklonken |
De muziek moet mooi klinken.
Haar stem klonk vertrouwd.
De klokken hebben prachtig geklonken.
|
klingen |
| knijpen |
kneep |
heeft geknepen |
Je mag je zusje niet knijpen.
Ze kneep hem in de arm.
Hij heeft voor het examen geknepen.
|
kneifen |
| komen |
kwam |
is gekomen |
Kun je morgen wat vroeger komen?
Ze kwam precies op het juiste moment.
Alle gasten zijn op tijd gekomen.
|
kommen |
| kruipen |
kroop |
is gekropen |
De baby wil overal kruipen.
Hij kroop onder het hek door.
De spin is over mijn bed gekropen.
|
kriechen |
| laten |
liet |
heeft gelaten |
Je moet hem gewoon met rust laten.
Ze liet de sleutel in het slot zitten.
Hij heeft de hond in de auto gelaten.
|
lassen |
| lezen |
las |
heeft gelezen |
Hij wil alle werken van Multatuli lezen.
Hij las het boek in één nacht.
Heb je het artikel al gelezen?
|
lesen |
| liegen |
loog |
heeft gelogen |
Je mag niet liegen.
Hij loog zonder te blozen.
Ze heeft de hele tijd gelogen.
|
lügen |
| liggen |
lag |
heeft/is gelegen |
Het boek moet op het nachtkastje liggen.
De hond lag in de zon.
Het dorp heeft eeuwenlang verborgen gelegen.
|
liegen |
| lijden |
leed |
heeft geleden |
Niemand wil lijden.
De bevolking leed onder de droogte.
Ze heeft lang genoeg geleden.
|
leiden |
| lijken |
leek |
heeft geleken |
Het plan moet op iets haalbaars lijken.
Ze leek op haar grootmoeder.
Dat heeft nergens op geleken.
|
gleichen / scheinen |
| lopen |
liep |
heeft/is gelopen |
Ze wil elke ochtend een uur lopen.
Ze liep de marathon in recordtijd.
Het project is beter gelopen dan verwacht.
|
laufen |
| meevallen |
viel mee |
heeft/is meegevallen |
De kosten kunnen gelukkig meevallen.
Het examen viel reuze mee.
De schade is erg meegevallen.
|
glimpflich ausgehen |
| melken |
molk |
heeft gemolken |
De boerin moet de koeien vroeg melken.
Hij molk tien koeien per dag.
De geiten zijn al gemolken.
|
melken |
| meten |
mat |
heeft gemeten |
Je moet de temperatuur regelmatig meten.
Ze mat de temperatuur elk uur.
Hij heeft de afstand precies gemeten.
|
messen |
| mijden |
meed |
heeft gemeden |
Hij moet bepaalde voedingsmiddelen mijden.
Ze meed hem na de ruzie.
Iedereen heeft het onderwerp gemeden.
|
meiden |
| nemen |
nam |
heeft genomen |
Mag ik nog een stuk nemen?
Ze nam het aanbod meteen aan.
Wie heeft mijn pen genomen?
|
nehmen |
| onderbreken |
onderbrak |
heeft onderbroken |
Je moet mij niet steeds onderbreken.
Een onweersbui onderbrak de wedstrijd.
De verbinding is onderbroken.
|
unterbrechen |
| ondernemen |
ondernam |
heeft ondernomen |
We willen dit jaar iets groots ondernemen.
Hij ondernam een laatste poging.
We hebben veel stappen ondernomen.
|
unternehmen |
| ontbijten |
ontbeet |
heeft ontbeten |
Je moet elke dag goed ontbijten.
Ze ontbeet laat na het feest.
Heb je al ontbeten?
|
frühstücken |
| ontspruiten |
ontsproot |
is ontsproten |
In het voorjaar moet overal groen ontspruiten.
Nieuwe scheuten ontsproten van de ene op de andere dag.
Nieuwe ideeën zijn ontsproten.
|
sprießen |
| ontvangen |
ontving |
heeft ontvangen |
Ze wil de gasten persoonlijk ontvangen.
Hij ontving de Nobelprijs.
We hebben de vergunning ontvangen.
|
erhalten / empfangen |
| optreden |
trad op |
heeft/is opgetreden |
De band wil vanavond optreden.
Ze trad voor het eerst op als zangeres.
Er zijn onverwachte problemen opgetreden.
|
auftreten |
| opvallen |
viel op |
is opgevallen |
Ze wil met haar werk opvallen.
Het viel me op dat hij zweeg.
Dat is nog niemand opgevallen.
|
auffallen |
| overdrijven |
overdreef |
heeft overdreven |
Je moet niet altijd overdrijven.
Ze overdreef het gevaar schromelijk.
Dat heb je nu wel overdreven!
|
übertreiben |
| overlijden |
overleed |
is overleden |
Niemand wil alleen overlijden.
De schrijver overleed op hoge leeftijd.
Ze is vorige week overleden.
|
versterben |
| overnemen |
nam over |
heeft overgenomen |
Ze wil de leiding van het project overnemen.
Hij nam het bedrijf van zijn vader over.
Het bedrijf heeft alle kosten overgenomen.
|
übernehmen |
| overtreffen |
overtrof |
heeft overtroffen |
Ze wil dit jaar haar eigen record overtreffen.
De werkelijkheid overtrof de droom.
Ze heeft zichzelf overtroffen.
|
übertreffen |
| overwegen |
overwoog |
heeft overwogen |
Je moet alle opties zorgvuldig overwegen.
Ze overwoog lang voor ze besliste.
We hebben alle opties overwogen.
|
erwägen |
| overwinnen |
overwon |
heeft overwonnen |
Hij wil zijn angst overwinnen.
Ze overwon haar angst voor de diepte.
Het team heeft alle tegenstanders overwonnen.
|
überwinden |
| prijzen |
prees |
heeft geprezen |
De jury wil het beste werk prijzen.
Men prees zijn dapperheid.
Het werk is veelvuldig geprezen.
|
preisen |
| rijden |
reed |
heeft/is gereden |
Ze wil volgend jaar naar het zuiden rijden.
De trein reed stipt om acht uur.
We zijn door de Alpen gereden.
|
fahren |
| rijgen |
reeg |
heeft/is geregen |
Ze wil de parels zorgvuldig rijgen.
Het meisje reeg bloemen aan een ketting.
Ze heeft de parels zorgvuldig geregen.
|
aufreihen |
| rijten |
reet |
heeft/is gereten |
De storm kan de zeilen rijten.
Het touw reet onder de last.
De ketting is doormidden gereten.
|
reißen |
| rijzen |
rees |
is gerezen |
Het deeg moet een uur rijzen.
De prijzen rezen snel.
Er zijn twijfels gerezen.
|
steigen |
| roepen |
riep |
heeft geroepen |
Je moet meteen de dokter roepen.
Iemand riep mijn naam in het donker.
Heb je al de dokter geroepen?
|
rufen |
| ruiken |
rook |
heeft geroken |
Je kunt de lavendel al van verre ruiken.
Hij rook de rook al van ver.
Heb je aan de bloemen geroken?
|
riechen |
| schelden |
schold |
heeft gescholden |
Je mag de kinderen niet schelden.
De vader schold hem uit voor de leugen.
Ze heeft hem ten onrechte gescholden.
|
schelten |
| schenken |
schonk |
heeft geschonken |
Hij wil het museum een bijzonder schilderij schenken.
De stichting schonk geld aan het ziekenhuis.
Men heeft het museum een Rembrandt geschonken.
|
schenken |
| scheren |
schoor |
heeft geschoren |
De boer moet de schapen in het voorjaar scheren.
Ze schoor het lam in enkele minuten.
Alle schapen zijn al geschoren.
|
scheren |
| schieten |
schoot |
heeft geschoten |
De spits wil eindelijk een doelpunt schieten.
De raket schoot de lucht in.
Hij heeft een prachtige foto geschoten.
|
schießen |
| schijnen |
scheen |
heeft geschenen |
De zon moet morgen weer schijnen.
Alles scheen zo eenvoudig toen.
De maan heeft helder geschenen.
|
scheinen |
| schrijven |
schreef |
heeft geschreven |
Ze wil een roman schrijven.
Hij schreef de brief bij kaarslicht.
Ik heb je gisteren geschreven.
|
schreiben |
| schrikken |
schrok |
heeft/is geschrokken |
Zo'n bericht kan je schrikken.
Hij schrok van de plotselinge bliksem.
Ik ben vreselijk geschrokken.
|
erschrecken |
| schuiven |
schoof |
heeft/is geschoven |
Kun je de kast een stukje schuiven?
Ze schoof de schuld op anderen.
We hebben de auto uit de greppel geschoven.
|
schieben |
| slapen |
sliep |
heeft/is geslapen |
Je moet minstens zeven uur slapen.
Hij sliep ondanks het lawaai diep en vast.
Ik heb al dagen slecht geslapen.
|
schlafen |
| slijpen |
sleep |
heeft geslepen |
Je moet het mes voor het koken slijpen.
Ze sleep de diamant met geduld.
Het glas is perfect geslepen.
|
schleifen |
| sluipen |
sloop |
is geslopen |
Hij wil zich stilletjes door de tuin sluipen.
Hij sloop stilletjes de trap af.
De tijd is voorbij geslopen.
|
schleichen |
| sluiten |
sloot |
heeft gesloten |
Je moet de deur goed sluiten.
Ze sloot de deur zachtjes achter zich.
We hebben vrede gesloten.
|
schließen |
| smelten |
smolt |
is gesmolten |
De boter moet langzaam in de pan smelten.
De sneeuw smolt van de ene op de andere dag.
De boter is op de toast gesmolten.
|
schmelzen |
| smijten |
smeet |
heeft gesmeten |
Je mag de spullen niet zomaar smijten.
Ze smeet de oude kranten weg.
Wie heeft de bal door het raam gesmeten?
|
schmeißen |
| snijden |
sneed |
heeft gesneden |
Kun jij het brood snijden?
Ze sneed het lint plechtig door.
Ik heb me aan het papier gesneden.
|
schneiden |
| spinnen |
spon |
heeft gesponnen |
De spin wil een nieuw web spinnen.
De vrouw spon wol aan het spinnewiel.
De rups heeft zich in zijde gesponnen.
|
spinnen |
| spreken |
sprak |
heeft gesproken |
Ze wil vloeiend Arabisch spreken.
De premier sprak voor duizenden.
We hebben er nog niet over gesproken.
|
sprechen |
| springen |
sprong |
is gesprongen |
Hij wil van de rots in het water springen.
Ze sprong over het hek.
Het glas is bij het verhitten gesprongen.
|
springen |
| steken |
stak |
heeft gestoken |
De bij wil niet steken.
De mug stak hem in de hals.
Een wesp heeft me gestoken.
|
stechen |
| stelen |
stal |
heeft gestolen |
Je mag niet stelen.
Iemand stal het schilderij 's nachts.
Men heeft mijn hart gestolen.
|
stehlen |
| sterven |
stierf |
is gestorven |
Niemand wil aan eenzaamheid sterven.
Hij stierf vredig in zijn slaap.
De plant is helaas gestorven.
|
sterben |
| stijgen |
steeg |
is gestegen |
De temperatuur mag niet boven veertig stijgen.
Ze steeg naar de hoogste top.
De temperatuur is tot 40 graden gestegen.
|
steigen |
| stinken |
stonk |
heeft gestonken |
Het afval mag niet zo stinken.
Het stonk naar rotte eieren.
De kelder heeft altijd al gestonken.
|
stinken |
| strijden |
streed |
heeft gestreden |
Ze wil voor een eerlijke kans strijden.
Ze streden over de beste route.
We hebben nooit echt gestreden.
|
streiten |
| strijken |
streek |
heeft gestreken |
We willen de kamer opnieuw strijken.
Hij streek haar zachtjes over het haar.
De vlucht is geschrapt.
|
streichen |
| tegenvallen |
viel tegen |
is tegengevallen |
Het resultaat mag niet tegenvallen.
De opbrengst viel flink tegen.
Het resultaat is erg tegengevallen.
|
enttäuschen |
| terugkomen |
kwam terug |
is teruggekomen |
Ze wil morgen uit Parijs terugkomen.
Hij kwam laat van zijn werk terug.
De zwaluwen zijn weer teruggekomen.
|
zurückkommen |
| toelaten |
liet toe |
heeft toegelaten |
De universiteit wil meer studenten toelaten.
De bewaker liet ons eindelijk toe.
Ze is tot het examen toegelaten.
|
zulassen |
| toenemen |
nam toe |
is toegenomen |
De spanning moet tot de finale toenemen.
De bevolking nam gestaag toe.
Het verkeer is de laatste jaren flink toegenomen.
|
zunehmen |
| toestaan |
stond toe |
heeft toegestaan |
Dat mag de wet niet toestaan.
De rechter stond uitstel toe.
Fotograferen is hier niet toegestaan.
|
gestatten / erlauben |
| treden |
trad |
is getreden |
Hij moet voorzichtig op het ijs treden.
Hij trad door de deur het licht in.
Ik ben in een plas getreden.
|
treten |
| treffen |
trof |
heeft getroffen |
De maatregel moet de juiste mensen treffen.
Een ramp trof het kustdorp.
De storm heeft de stad zwaar getroffen.
|
treffen |
| trekken |
trok |
heeft getrokken |
We willen volgend jaar naar het platteland trekken.
Ze trok de koffer door de regen.
We zijn vorig jaar naar Amsterdam getrokken.
|
ziehen |
| uitgeven |
gaf uit |
heeft uitgegeven |
De overheid wil een nieuw biljet uitgeven.
Hij gaf al zijn spaargeld uit.
Het boek is in tien talen uitgegeven.
|
ausgeben / herausgeben |
| uitkiezen |
koos uit |
heeft uitgekozen |
Je mag zelf uitkiezen.
De jury koos drie finalisten uit.
Hij is als winnaar uitgekozen.
|
auswählen |
| uitspreken |
sprak uit |
heeft uitgesproken |
De rechter moet het vonnis uitspreken.
Ze sprak haar waardering hartelijk uit.
De jury heeft zich uitgesproken.
|
aussprechen |
| uitvinden |
vond uit |
heeft uitgevonden |
De wetenschapper wil een nieuw vaccin uitvinden.
Edison vond de gloeilamp uit.
Wie heeft het wiel uitgevonden?
|
erfinden |
| vallen |
viel |
is gevallen |
De bladeren moeten ooit vallen.
Het glas viel van de tafel.
Gisteren is de eerste sneeuw gevallen.
|
fallen |
| vangen |
ving |
heeft gevangen |
De visser wil vandaag veel vis vangen.
Hij ving de bal met één hand.
De politie heeft de dief gevangen.
|
fangen |
| vastbinden |
bond vast |
heeft vastgebonden |
Je moet de lading goed vastbinden.
De zeeman bond het touw stevig vast.
De lading is goed vastgebonden.
|
festbinden |
| vasthouden |
hield vast |
heeft vastgehouden |
Hij wil het kind stevig vasthouden.
Ze hield haar mening koppig vast.
De politie heeft de verdachte vastgehouden.
|
festhalten |
| vechten |
vocht |
heeft gevochten |
Je mag niet zomaar vechten.
Ze vocht met groot vakmanschap.
De ridders hebben tot de ochtend gevochten.
|
fechten / kämpfen |
| verbergen |
verborg |
heeft verborgen |
Je kunt de waarheid niet eeuwig verbergen.
Ze verborg de brief onder het kussen.
Het dorp heeft zich in de mist verborgen.
|
verbergen |
| verbieden |
verbood |
heeft verboden |
De school mag dat niet verbieden.
De arts verbood hem te roken.
Men heeft het zwemmen in het meer verboden.
|
verbieten |
| verdragen |
verdroeg |
heeft verdragen |
Je moet meer kritiek kunnen verdragen.
Hij verdroeg de pijn zonder te klagen.
Ze hebben elkaar nooit goed verdragen.
|
ertragen / vertragen |
| verdwijnen |
verdween |
is verdwenen |
De pijn moet snel verdwijnen.
Hij verdween spoorloos in de nacht.
Alle twijfel is verdwenen.
|
verschwinden |
| vergelijken |
vergeleek |
heeft vergeleken |
Je moet de twee aanbiedingen goed vergelijken.
Hij vergeleek de twee aanbiedingen zorgvuldig.
Ik heb de prijzen vergeleken.
|
vergleichen |
| vergeten |
vergat |
heeft vergeten |
Je mag de verjaardag van je moeder niet vergeten.
Ze vergat de tijd helemaal.
Ik ben je verjaardag vergeten!
|
vergessen |
| vergeven |
vergaf |
heeft vergeven |
Je kunt hem vergeven als je er klaar voor bent.
Ze vergaf hem na lange tijd.
Hij heeft haar alles vergeven.
|
vergeben / verzeihen |
| verkrijgen |
verkreeg |
heeft verkregen |
Ze wil het bewijs via de rechtbank verkrijgen.
Ze verkreeg een beurs voor haar studie.
Het bedrijf heeft een patent verkregen.
|
erwerben / erlangen |
| verlaten |
verliet |
heeft verlaten |
Hij wil de stad nooit verlaten.
Ze verliet het land zonder afscheid.
Hij heeft zijn baan verlaten.
|
verlassen |
| verliezen |
verloor |
heeft verloren |
Niemand wil zijn laatste kans verliezen.
Ze verloor de wedstrijd in de laatste seconde.
Hij heeft zijn angst verloren.
|
verlieren |
| vermijden |
vermeed |
heeft vermeden |
Hij moet elk conflict vermijden.
Hij vermeed de drukke straat.
Het ergste hebben we vermeden.
|
vermeiden |
| vernemen |
vernam |
heeft vernomen |
Ik wil graag uw mening vernemen.
Ze vernam het slechte nieuws pas laat.
We hebben niets van haar vernomen.
|
vernehmen / erfahren |
| verschijnen |
verscheen |
is verschenen |
Het boek moet dit jaar nog verschijnen.
Ze verscheen stipt om negen uur.
Het boek is gisteren verschenen.
|
erscheinen |
| verslinden |
verslond |
heeft verslonden |
Hij kan een heel boek per dag verslinden.
De golf verslond het bootje.
Ze heeft het eten verslonden.
|
verschlingen |
| verstaan |
verstond |
heeft verstaan |
Ik wil je goed verstaan.
Ze verstond meteen wat bedoeld werd.
Heb je de vraag verstaan?
|
verstehen |
| verwerven |
verwierf |
heeft verworven |
Ze wil nieuwe vaardigheden verwerven.
Ze verwierf het terrein voor een gunstige prijs.
Het museum heeft een zeldzaam schilderij verworven.
|
erwerben |
| vinden |
vond |
heeft gevonden |
We moeten een betere oplossing vinden.
Hij vond een oude schat in de kelder.
Heb je je bril gevonden?
|
finden |
| vlechten |
vlocht |
heeft gevlochten |
Ze wil een krans van wilde bloemen vlechten.
De grootmoeder vlocht manden bij de rivier.
Wie heeft je de vlechten gevlochten?
|
flechten |
| vliegen |
vloog |
is gevlogen |
Hij wil ooit over de oceaan vliegen.
Ze vloog voor het eerst naar Tokio.
De tijd is voorbij gevlogen.
|
fliegen |
| voorkomen |
kwam voor |
heeft voorgekomen |
We moeten dit soort fouten voorkomen.
Het kwam haar vaag bekend voor.
Zoiets is hier nog nooit voorgekomen.
|
vorkommen |
| vreten |
vrat |
heeft gevreten |
De wolf kan een heel hert vreten.
De roest vrat zich door het metaal.
De geit heeft de tuin leeg gevreten.
|
fressen |
| vriezen |
vroor |
heeft/is gevroren |
Het mag vannacht niet vriezen.
Het meer vroor in januari dicht.
Het water is 's nachts gevroren.
|
frieren |
| wegen |
woog |
heeft/is gewogen |
Het bagage mag niet meer dan twintig kilo wegen.
Hij woog de ingrediënten zorgvuldig af.
De argumenten hebben zwaar gewogen.
|
wiegen |
| werpen |
wierp |
heeft/is geworpen |
Kun jij de bal verder werpen?
Ze wierp de bal over het hek.
Wie heeft de eerste steen geworpen?
|
werfen |
| werven |
wierf |
heeft/is geworven |
Het bedrijf wil nieuwe klanten werven.
Hij wierf om haar gunst.
Ze heeft nieuwe klanten geworven.
|
werben |
| weten |
wist |
heeft geweten |
Ik wil de waarheid weten.
Hij wist meteen het antwoord.
Dat heb ik niet geweten!
|
wissen |
| wijken |
week |
is geweken |
Hij wil geen stap wijken.
De duisternis week voor de dageraad.
De pijn is eindelijk geweken.
|
weichen |
| wijzen |
wees |
heeft gewezen |
Het kompas moet altijd naar het noorden wijzen.
Ze wees op de fout.
Men heeft hem de zaal uit gewezen.
|
weisen |
| winden |
wond |
heeft gewonden |
Het pad moet zich door het bos winden.
Ze wond zich uit zijn armen.
De weg heeft zich de berg op gewonden.
|
winden |
| winnen |
won |
heeft gewonnen |
Iedereen wil wel eens winnen.
Ze won de gouden medaille.
Hij heeft in de loterij gewonnen.
|
gewinnen |
| wrijven |
wreef |
heeft gewreven |
Je moet de kruiden vers wrijven.
Hij wreef de kaas over de pasta.
Het kind heeft zich de ogen gewreven.
|
reiben |
| zenden |
zond |
heeft gezonden |
We moeten de documenten vandaag nog zenden.
De koning zond een bode vooruit.
Ze heeft me een lange brief gezonden.
|
senden |
| zingen |
zong |
heeft gezongen |
Ze wil in een koor zingen.
Ze zong het slaapliedje heel zacht.
We hebben tot middernacht gezongen.
|
singen |
| zinken |
zonk |
is gezonken |
De temperatuur mag niet onder nul zinken.
De temperatuur zonk tot min twintig.
De prijs is drastisch gezonken.
|
sinken |
| zitten |
zat |
heeft gezeten |
Je moet niet de hele dag zitten.
Hij zat urenlang bij het raam.
We hebben de hele avond gezeten.
|
sitzen |
| zuigen |
zoog |
heeft gezogen |
De spons kan al het water zuigen.
De wortels zogen water uit de aarde.
De spons heeft het water opgezogen.
|
saugen |
| zwellen |
zwol |
is gezwollen |
De rivier kan na hevige regen zwellen.
Zijn enkel zwol direct op.
De wond is flink gezwollen.
|
schwellen |
| zwemmen |
zwom |
is gezwommen |
Hij wil elke ochtend een baantje zwemmen.
Hij zwom alleen over het meer.
We zijn in het maanlicht gezwommen.
|
schwimmen |
| zweren |
zwoer |
heeft gezworen |
Je moet niet zo snel zweren.
Hij zwoer wraak voor de rechtbank.
Ze heeft eeuwige trouw gezworen.
|
schwören |
| zwijgen |
zweeg |
heeft gezwegen |
Soms moet je gewoon zwijgen.
Ze zweeg een lange minuut.
Hij heeft te lang gezwegen.
|
schweigen |