Verben

Infinitiv, Präteritum und Partizip Perfekt – regelmäßige, unregelmäßige und starke Verben auf Niederländisch und Deutsch, jeweils mit Beispielsätzen und Übersetzung. Stell den Kurs über die Schaltflächen: Verbgruppe und Sprache wählen, und los.

Infinitiv Präteritum Perfectum Beispielsätze Deutsch
aanbellen belde aan heeft aangebeld

Bij de voordeur moet je altijd even aanbellen.

Het belde drie keer, dan stilte.

Er is zojuist bij de voordeur aangebeld.

klingeln
aankondigen kondigde aan heeft aangekondigd

Het bezoek zou je op tijd moeten aankondigen.

Hij kondigde zijn vertrek die ochtend aan.

De hervorming is maanden van tevoren aangekondigd.

ankündigen
aanmaken maakte aan heeft aangemaakt

Een overzichtelijke tabel moet ik nog aanmaken.

Hij maakte het verslag in twee uur aan en las het niet door.

Het document is door een onafhankelijk instituut aangemaakt.

erstellen
aanmoedigen moedigde aan heeft aangemoedigd

De deelnemers moet je tot spreken aanmoedigen.

Ze moedigde iedereen vriendelijk aan.

Hij werd meermaals aangemoedigd.

auffordern
aansluiten sloot aan heeft aangesloten

Het apparaat moet je op het stopcontact aansluiten.

Hij sloot de oplader op het stopcontact aan.

Is de nieuwe computer al aangesloten?

anschließen
aantonen toonde aan heeft aangetoond

De zwakke punten moet het rapport duidelijk aantonen.

Hij toonde de gevolgen van zijn beslissing duidelijk aan.

De studie heeft ernstige tekortkomingen aangetoond.

aufzeigen
aanvragen vroeg aan heeft aangevraagd

Het visum zou je op tijd moeten aanvragen.

Hij vroeg vakantie drie maanden van tevoren aan en kreeg die niet.

Het visum werd tijdig aangevraagd maar te laat behandeld.

beantragen
abonneren abonneerde heeft geabonneerd

De nieuwsbrief wil ik graag abonneren.

Hij abonneerde de nieuwsbrief spontaan.

Op hoeveel kanalen heb je geabonneerd?

abonnieren
achterhalen achterhaalde heeft achterhaald

De oorzaak wil ik per se achterhalen.

Hij achterhaalde dat het dossier vervalst was.

Heb je achterhaald waarom het systeem gecrasht is?

herausfinden
afbouwen bouwde af heeft afgebouwd

De opgebouwde spanning moet je op een bepaald moment afbouwen.

Hij bouwde in zijn laatste jaren merkbaar af.

De stress van de afgelopen maanden is in de vakantie langzaam afgebouwd.

abbauen
afhandelen handelde af heeft afgehandeld

Het papierwerk moet ik nog voor vrijdag afhandelen.

Hij handelde de volledige belastingaangifte op een middag af.

Alles is inmiddels afgehandeld.

erledigen
afkorten kortte af heeft afgekort

De lange weg wil ik deze keer afkorten.

Hij kortte de tekst zo af dat de betekenis verloren ging.

Het woord is in het officiële document afgekort.

abkürzen
afleggen legde af heeft afgelegd

De jas kun je in de garderobe afleggen.

Ze legde de jas in de garderobe af.

Hij heeft zijn schroom voor spreken eindelijk afgelegd.

ablegen
afronden rondde af heeft afgerond

Het verslag moet ik voor vrijdag afronden.

Hij rondde het manuscript afdrie jaar na de deadline.

Het gebouw is na jarenlange vertraging eindelijk afgerond.

fertigstellen
afsluiten sloot af heeft afgesloten

De woning moet je bij het weggaan altijd afsluiten.

Hij sloot de deur twee keer afuit gewoonte, niet uit angst.

Is het contract al afgesloten?

abschließen
afspreken sprak af heeft afgesproken

De afspraak zouden we van tevoren moeten afspreken.

Ze sprak de afspraak telefonisch af.

Afgesprokenhet woord klinkt zo simpel en is zo zelden gemeend.

abmachen
afspreken sprak af heeft afgesproken

Een afspraak bij de dokter wil ik graag afspreken.

Ze sprak de afspraak telefonisch af.

Is de prijs schriftelijk afgesproken?

vereinbaren
afspreken sprak af heeft afgesproken

Voor morgenavond wil ik graag afspreken.

Ze sprak voor de volgende avond af.

We hebben afgesproken voor vrijdagavond.

verabreden
afwassen waste af heeft afgewassen

Het servies moeten we na het eten afwassen.

Hij waste zwijgend af terwijl zij aan tafel bleef zitten.

Het servies is na het feest afgewassen.

abwaschen
afwegen woog af heeft afgewogen

De voor- en nadelen zou je zorgvuldig moeten afwegen.

Hij woog alle risico's zorgvuldig af.

Alle opties zijn grondig afgewogen.

abwägen
afwijken week af is afgeweken

Van het oorspronkelijke plan wil ik dit keer niet afwijken.

Hij week van zijn gebruikelijke route af.

Het resultaat is sterk van de verwachte waarde afgeweken.

abweichen
afwijzen wees af heeft afgewezen

Het aanbod wil hij beleefd afwijzen.

Hij wees het aanbod beleefd af.

Het project werd twee keer afgewezen, bij de derde poging aangenomen.

ablehnen
afzeggen zegde af heeft afgezegd

De afspraak moet ik helaas op het laatste moment afzeggen.

Ze zegde de afspraak op het laatste moment af.

Drie concerten zijn wegens slecht weer afgezegd.

absagen
antwoorden antwoordde heeft geantwoord

Op die vraag moet je eerlijk antwoorden.

Ze antwoordde pas na drie dagenen dan nog kort.

Op die vraag heeft hij nooit geantwoord.

antworten
beantwoorden beantwoordde heeft beantwoord

Deze vraag moet ik je eerlijk beantwoorden.

Hij beantwoordde elke vraag van een leerling alsof het de eerste was.

Deze vraag is tot op heden niet bevredigend beantwoord.

beantworten
bedanken bedankte heeft bedankt

De helper wil ik persoonlijk bedanken.

Hij bedankte haar met een warme blik.

Daarvoor heb ik nooit officieel bedankt.

danken
bedienen bediende heeft bediend

De klant zou je altijd beleefd moeten bedienen.

De oude ober bediende elke tafel alsof het de eerste was.

Bent u al bediend?

bedienen
bedoelen bedoelde heeft bedoeld

Zo kun je dat toch niet bedoelen.

Hij bedoelde het goed, maar het klonk fout.

Wat heb je daarmee eigenlijk bedoeld?

meinen
bedragen bedroeg heeft bedragen

De totaalprijs zal zeker boven de honderd euro bedragen.

De vertraging bedroeg drie uur zonder uitleg.

Hoeveel heeft het totaalbedrag bedragen?

betragen
begeleiden begeleidde heeft begeleid

De gast wil ik tot aan de uitgang begeleiden.

Hij begeleidde haar zwijgend tot aan de deur.

Deze muziek heeft me door moeilijke tijden begeleid.

begleiten
behandelen behandelde heeft behandeld

De patiënt moet je met zorg behandelen.

De arts behandelde haar met rust, wat meer hielp dan elk medicijn.

Is de patiënt tijdig behandeld?

behandeln
beheren beheerde heeft beheerd

Het budget moet je altijd zorgvuldig beheren.

Hij beheerde het archief tientallen jaren.

Het vermogen werd door een notaris beheerd.

verwalten
behoren behoorde heeft behoord

Bij deze groep wil ik graag behoren.

Dit huis behoorde ooit aan een dichter.

Dit verhaal heeft altijd aan haar behoord.

gehören
bellen belde heeft gebeld

Ik moet vandaag nog met mijn zus bellen.

Hij belde zo luid dat de hele trein meekeek.

Ik heb hem vandaag voor het eerst in jaren gebeld.

telefonieren
benutten benutte heeft benut

De beschikbare tijd zou je goed moeten benutten.

Hij benutte de stilte van de vroege ochtend.

Deze bron is jarenlang niet benut.

nutzen
beoordelen beoordeelde heeft beoordeeld

De situatie moet je altijd eerlijk beoordelen.

Hij beoordeelde de situatie nuchter.

Is het werk eerlijk beoordeeld?

beurteilen
beperken beperkte heeft beperkt

De schade zou je zoveel mogelijk moeten beperken.

Ze beperkte haar schermtijd tot een uur.

De schade werd beperktmaar niet voorkomen.

begrenzen
beperken beperkte heeft beperkt

De uitgaven wil ze fors beperken.

Ze beperkte haar uitgaven fors.

Het bedrijf is na het incident sterk beperkt.

einschränken
bereiden bereidde heeft bereid

Het avondeten wil ik vandaag vers bereiden.

Ze bereidde het avondeten alsof het het laatste was.

Het gerecht is met verse kruiden bereid.

zubereiten
bereiken bereikte heeft bereikt

Het doel wil ik voor het donker bereiken.

Ze bereikte de top zwijgend en alleen.

Wat heb je dit jaar echt bereikt?

erreichen
beschrijven beschreef heeft beschreven

De weg naar het station kan ik je precies beschrijven.

Ze beschreef de verdachte met verbazingwekkende nauwkeurigheid.

De procedure is uitgebreid beschreven in het handboek.

beschreiben
bespreken besprak heeft besproken

Het probleem wil ik morgen in het team bespreken.

Hij besprak de situatie met een rust die bijna verontrustend was.

Is het onderwerp in de laatste vergadering besproken?

besprechen
bestellen bestelde heeft besteld

Het eten wil ik vandaag van thuis bestellen.

Hij bestelde dezelfde koffie als altijd.

We hebben de bank drie weken geleden besteldhij is er nog niet.

bestellen
bestrijden bestreed heeft bestreden

De oorzaak moet je bij de wortel bestrijden.

Hij bestreed zijn luiheid elke ochtend opnieuw.

De epidemie werd laat maar vastberaden bestreden.

bekämpfen
betalen betaalde heeft betaald

De rekening wil ik graag meteen betalen.

Ze betaalde de rekening zonder aarzeling.

Heeft iemand al betaald?

bezahlen
betalen betaalde heeft betaald

Aan de kassa wil ik graag contant betalen.

Hij betaalde de rekening zwijgend aan de kassa.

Wie heeft er bij jullie vorige week betaald?

zahlen
betekenen betekende heeft betekend

Dat kan voor haar heel veel betekenen.

Dat betekende vroeger nog ietsnu is het routine.

Wat heeft dit symbool oorspronkelijk betekend?

bedeuten
bevatten bevatte heeft bevat

Eén zin kan veel informatie bevatten.

De brief bevatte informatie die niet voor hem bestemd was.

Wat heeft de capsule bevat?

enthalten
beveiligen beveiligde heeft beveiligd

De belangrijke bestanden zou je regelmatig moeten beveiligen.

Ze beveiligde de belangrijke gegevens op een externe schijf.

Is de plaats delict tijdig beveiligd?

sichern
bevorderen bevorderde heeft bevorderd

Jong talent zou je gericht moeten bevorderen.

De stad bevorderde het project met een klein budget.

Haar leraar heeft haar vroeg bevorderd.

fördern
bewaren bewaarde heeft bewaard

De oude brieven wil ze zorgvuldig bewaren.

Ze bewaarde alle brieven, ook die ze nooit had verstuurd.

Dit gebouw is dankzij particulier initiatief bewaard.

bewahren
bezoeken bezocht heeft bezocht

In de vakantie wil ik het museum bezoeken.

Hij bezocht haar elke dinsdag zonder uitzondering.

Heb je het museum al bezocht?

besuchen
bezwaar maken maakte bezwaar bezwaar gemaakt

Daartegen wil ik geen bezwaar maken.

Hij maakte bezwaar omdat niemand was geraadpleegd.

Daartegen is juridisch bezwaar gemaakt.

einwenden
beïnvloeden beïnvloedde heeft beïnvloed

Het resultaat kun je door goede voorbereiding beïnvloeden.

Het slechte weer beïnvloedde haar stemming meer dan ze toegaf.

Is de beslissing door externe belangen beïnvloed?

beeinflussen
blokkeren blokkeerde heeft geblokkeerd

De spamafzender zou je meteen moeten blokkeren.

Hij blokkeerde per ongeluk de uitgang met zijn koffer.

De toegang tot het systeem is geblokkeerd.

blockieren
bouwen bouwde heeft gebouwd

We willen hier een klein huis bouwen.

Hij bouwde het rek op een middag.

Het huis werd in zes maanden gebouwd.

bauen
chatten chatte heeft gechat

Met oude vrienden wil ik vanavond chatten.

Ze chatte de hele avond met haar vriendin.

Heeft u vandaag al met de klantenservice gechat?

chatten
communiceren communiceerde heeft gecommuniceerd

Open en direct met elkaar zou je altijd moeten communiceren.

Het team communiceerde slecht met de klanten.

In dit bedrijf is te weinig met elkaar gecommuniceerd.

kommunizieren
controleren controleerde heeft gecontroleerd

Het resultaat moet iemand nog eens controleren.

De leraar controleerde het huiswerk zorgvuldig.

Heeft iemand de cijfers nog eens gecontroleerd?

kontrollieren
dansen danste heeft gedanst

Op dit feest wil ik de hele nacht dansen.

Ze danste drie uur zonder pauze.

Hij heeft zijn hele leven niet gedanst.

tanzen
delen deelde heeft gedeeld

Het laatste koekje wil ik graag met je delen.

Ze deelde haar lunch met de collega.

Het artikel is duizenden keren gedeelden nauwelijks gelezen.

teilen
denken dacht heeft gedacht

Daarover moet ik eerst in alle rust denken.

Hij dacht lang over het aanbod na.

Daar heb ik niet aan gedacht.

denken
dienen diende heeft gediend

Deze ruimte moet voortaan als opslagruimte dienen.

Deze kamer diende vroeger als bibliotheek.

Waarvoor heeft dit gereedschap oorspronkelijk gediend?

dienen
discussiëren discussieerde heeft gediscussieerd

Over dit onderwerp kun je eindeloos discussiëren.

Hij discussieerde urenlang over het onderwerp.

Over deze zin is tweehonderd jaar lang gediscussieerd.

diskutieren
doneren doneerde heeft gedoneerd

Hij wil regelmatig voor een goed doel doneren.

Hij doneerde anoniemuit overtuiging, niet voor applaus.

Het bedrijf heeft dit jaar meer gedoneerd dan ooit tevoren.

spenden
downloaden downloadde heeft gedownload

Het bestand moet ik nog van de server downloaden.

Hij downloadde het bestand in enkele seconden.

De app is meer dan een miljoen keer gedownload.

herunterladen
drogen droogde heeft/is gedroogd

De was moet in de buitenlucht drogen.

Hij droogde zijn haar in de rijwind.

De bloemen hebben gedroogd in de zon.

trocknen
drukken drukte heeft gedrukt

Die knop mag je absoluut niet drukken.

Hij drukte haar hand stevig.

De schoen heeft hem de hele dag gedrukt.

drücken
duren duurde heeft geduurd

De reparatie zal vast niet lang duren.

De onderhandeling duurde drie uur langer dan gepland.

Hoe lang heeft de reparatie geduurd?

dauern
eisen eiste heeft geëist

Meer transparantie mag je in deze situatie eisen.

De vakbond eiste een loonsverhogingvoor de derde keer.

Wat werd er bij de onderhandelingen oorspronkelijk geëist?

fordern
faxen faxte heeft gefaxt

Het ingevulde formulier moet ik nog snel faxen.

Hij faxte het document naar de centrale.

Het formulier is gefaxtin het jaar 2025.

faxen
feliciteren feliciteerde heeft gefeliciteerd

Haar wil ik graag hartelijk feliciteren.

Ze feliciteerde hem terwijl ze zelf teleurgesteld was.

Heeft iemand haar al gefeliciteerd?

gratulieren
filmen filmde heeft gefilmd

Het optreden wil hij graag filmen.

Hij filmde de zonsondergang tot de batterij leeg was.

De documentaire is in drie landen gefilmd.

filmen
fotograferen fotografeerde heeft gefotografeerd

De oude stadspoort wil ik graag fotograferen.

Ze fotografeerde de verlaten fabriek stiekem voor die werd afgebroken.

Dit moment is miljoenen keren gefotografeerd.

fotografieren
functioneren functioneerde heeft gefunctioneerd

Het apparaat wil gewoon niet goed functioneren.

De microfoon functioneerde nietde lezing was toch goed.

De strategie heeft in theorie gefunctioneerd, in de praktijk minder.

funktionieren
gebeuren gebeurde is gebeurd

Zoiets mag gewoon niet meer gebeuren.

Er gebeurde niets, maar de spanning bleef.

Wat is er gisteravond eigenlijk gebeurd?

passieren
gebruiken gebruikte heeft gebruikt

De oude hamer kun je vast nog goed gebruiken.

Ze gebruikte het oude woord zo vanzelfsprekend dat het modern klonk.

Dit argument is al te vaak gebruikt.

gebrauchen
geloven geloofde heeft geloofd

Niet alles moet je zomaar geloven.

Ze geloofde jarenlang in zijn onschuld.

Ik heb hem geen enkel woord geloofd.

glauben
glimlachen glimlachte heeft geglimlacht

Voor de foto zou je moeten glimlachen.

Ze glimlachte terwijl haar hart zwaar was.

Hij heeft de hele dag niet geglimlachtgeen goed teken.

lächeln
googelen googelde heeft gegoogeld

Die term wil ik even snel googelen.

Ze googelde zijn naam voor ze hem ontmoette.

Heb je dat gegoogeld, of weet je dat echt?

googeln
groeten groette heeft gegroet

De buurman zou je bij het langslopen moeten groeten.

Hij groette haar elke ochtend vriendelijk.

Ze heeft me vandaag niet gegroet.

grüßen
halen haalde heeft gehaald

Het doel wil ik nog op tijd halen.

Ze haalde het examen hoewel ze nauwelijks had geslapen.

Heb je de trein nog gehaald?

schaffen
handelen handelde heeft gehandeld

In deze situatie moet je snel en vastberaden handelen.

Ze handelde snel voor iemand anders het deed.

Hij heeft in de crisis bezonnen gehandeld.

handeln
haten haatte heeft gehaat

Dat wachten aan het loket moet iedereen wel haten.

Hij haatte maandagochtendvergaderingen van ganser harte.

Dat heb ik mijn hele leven gehaat.

hassen
herdenken herdacht heeft herdacht

De strategie moet je grondig herdenken.

Hij herdacht zijn standpunt na het gesprek.

Het oorspronkelijke plan is volledig herdacht.

überdenken
herhalen herhaalde heeft herhaald

Het moeilijke deel moet ik nog een keer herhalen.

Hij herhaalde de vraag drie keer.

Bepaalde fouten uit de geschiedenis hebben zich helaas herhaald.

wiederholen
herinneren herinnerde heeft herinnerd

Aan dit moment wil ik me graag herinneren.

Hij herinnerde zich het gesprek pas weken later.

Ik heb me meteen aan hem herinnerd.

erinnern
herzien herzag heeft herzien

De eerste versie zou je bijna altijd moeten herzien.

Ze herzag het concept drie keer tot het echt klopte.

Het handboek is volledig herzien.

überarbeiten
hopen hoopte heeft gehoopt

Op een goed resultaat mag je altijd hopen.

Hij hoopte op een antwoord dat nooit kwam.

Ik heb gehoopt dat het zichzelf oploste.

hoffen
horen hoorde heeft gehoord

Ik wil dat nummer nog eens goed horen.

Hij hoorde voetstappen in de gang.

Ik heb dit nummer vandaag al tien keer gehoord.

hören
houden van hield van gehouden van

Je kunt niet van iedereen onvoorwaardelijk houden.

Hij hield zijn hele leven van haar.

Ze heeft altijd van deze stad gehouden.

lieben
huilen huilde heeft gehuild

Soms moet je gewoon even huilen.

Hij huilde bij de film en deed alsof het van het stof was.

Ze had zo lang niet gehuild dat ze vergeten was hoe het voelde.

weinen
huren huurde heeft gehuurd

We willen een klein appartement in de binnenstad huren.

Ze huurde een klein appartement in de binnenstad.

We hebben de tent voor het festival gehuurdeen vergissing.

mieten
in slaap vallen viel in slaap in slaap gevallen

Na zo een lange dag zul je snel in slaap vallen.

Het kind viel in slaap voor het verhaal was afgelopen.

Hij is in de bioscoop in slaap gevallenvoor de tweede keer bij deze film.

einschlafen
indekken dekte in heeft ingedekt

Het risico moet je financieel indekken.

Hij dekte het touw twee keer invoorzichtig, niet bang.

Is het krediet voldoende ingedekt?

absichern
informeren informeerde heeft geïnformeerd

Daarover moet ik de klant op tijd informeren.

Ze informeerde de pers voor het bedrijf het zelf deed.

Zijn alle betrokkenen tijdig geïnformeerd?

informieren
ingrijpen greep in heeft ingegrepen

Bij een conflict zou je op tijd moeten ingrijpen.

Hij greep pas in toen het bijna te laat was.

Is er tijdig ingegrepen bij het incident?

eingreifen
inleveren leverde in heeft ingeleverd

Het huiswerk moet ik morgen inleveren.

Ze leverde de verantwoordelijkheid in en sliep eindelijk weer.

Is de bachelorscriptie tijdig ingeleverd?

abgeben
inpakken pakte in heeft ingepakt

De koffer moet je vlak voor vertrek inpakken.

Hij pakte zijn koffer in tien minuten in.

Alles is in één tas ingepakt.

packen
inrekenen rekende in heeft ingerekend

Mogelijke vertragingen zou je altijd moeten inrekenen.

Ze rekende mogelijke vertragingen van het begin af aan in.

Is de buffer voldoende ingerekend?

einkalkulieren
inrichten richtte in heeft ingericht

Het nieuwe kantoor wil ze gezellig inrichten.

Ze richtte het nieuwe appartement in als een podium.

Het kantoor is met een minimaal budget ingerichten ziet er toch goed uit.

einrichten
inschatten schatte in heeft ingeschat

De situatie zou je altijd realistisch moeten inschatten.

Ze schatte de afstand verkeerd in.

De inspanning is van het begin af aan verkeerd ingeschat.

einschätzen
installeren installeerde heeft geïnstalleerd

De update moet ik nog handmatig installeren.

Hij installeerde het programma in enkele minuten.

De update is automatisch geïnstalleerd.

installieren
instappen stapte in is ingestapt

In de trein moet je snel instappen.

Hij stapte in de laatste wagonde enige lege.

Wanneer ben jij in dit vakgebied ingestapt?

einsteigen
instellen stelde in heeft ingesteld

De nieuwe toon op het apparaat moet ik nog instellen.

Hij stelde de geluidsterkte op het apparaat in.

De geluidsterkte is op het apparaat correct ingesteld.

einstellen
instemmen stemde in heeft ingestemd

De patiënt moet eerst met de behandeling instemmen.

Hij stemde aarzelend in met het voorstel.

De patiënt heeft ingestemd met de ingreep.

einwilligen
interesseren interesseerde heeft geïnteresseerd

Voor dit onderwerp kan ik me echt niet interesseren.

Het onderwerp interesseerde hem pas toen het hem direct raakte.

Voetbal heeft me nooit geïnteresseerd.

interessieren
invullen vulde in heeft ingevuld

Het formulier moet je volledig invullen.

Ze vulde het formulier foutloos in en verloor het onderweg.

Is het formulier volledig ingevuld?

ausfüllen
inwerken werkte in heeft ingewerkt

De nieuwe collega moet je zorgvuldig inwerken.

Hij werkte zich in het onderwerp in tot hij het echt begreep.

Hoe lang heeft het geduurd voor je ingewerkt was?

einarbeiten
inwisselen wisselde in heeft ingewisseld

De bon zou je voor de vervaldatum moeten inwisselen.

Hij wisselde de bon in die hij drie jaar was vergeten.

De kortingscode is al ingewisseld.

einlösen
inzetten zette in heeft ingezet

Alle beschikbare middelen moet je daarvoor inzetten.

Ze zette al haar energie voor het project in.

Zijn de middelen zinvol ingezet?

einsetzen
inzien zag in heeft ingezien

De eigen fout moet je op een bepaald moment inzien.

Hij zag in dat hij zich had vergisten zei het zelfs hardop.

Heeft ze haar verantwoordelijkheid daarin ingezien?

einsehen
kennen kende heeft gekend

Je zou je eigen lichaam beter moeten kennen.

Hij kende elke hoek van de oude stad.

Ik heb haar slechts vluchtig gekend.

kennen
kiezen koos heeft gekozen

Het juiste moment moet je slim kiezen.

Ze koos haar woorden zo zorgvuldig dat het pijn deed.

Hij heeft altijd met zijn hart gekozen, niet met zijn hoofd.

wählen
kijken keek heeft gekeken

Ik wil nog even uit het raam kijken.

Ze keek lang uit het raam.

Heb je de laatste aflevering al gekeken?

schauen
klikken klikte heeft geklikt

Op de juiste link moet je precies klikken.

Hij klikte snel op de verkeerde link.

Op deze advertentie is nauwelijks geklikt.

klicken
klimmen klom is geklommen

Op deze rots wil ik graag klimmen.

Het regende, maar ze klom toch op de toren.

De loodgieter is op mijn keukenkast geklommen.

klettern
kloppen klopte heeft geklopt

Voor het binnengaan zou je altijd moeten kloppen.

Hij klopte drie keer aan de deur.

Wie heeft midden in de nacht aan de deur geklopt?

klopfen
knikken knikte heeft geknikt

Als teken van instemming zou je moeten knikken.

Ze knikte, zei niets en dat was genoeg.

Hij heeft de hele presentatie geknikten daarna het plan afgewezen.

nicken
koken kookte heeft gekookt

Vanavond wil ik voor iedereen koken.

Ze kookte de lunch zonder een recept op te slaan.

Wie heeft deze heerlijke soep gekookt?

kochen
kopen kocht heeft gekocht

Ze wil op de markt vers fruit kopen.

Ze kocht spontaan een oud fiets op de rommelmarkt.

Hij heeft stiekem een hond gekocht.

kaufen
kopiëren kopieerde heeft gekopieerd

Het document moet ik nog tweemaal kopiëren.

Hij kopieerde het artikel zonder bronvermeldingen kreeg er spijt van.

De sleutel is bij de sleutelmaker gekopieerd.

kopieren
kosten kostte heeft gekost

Dat mag best iets meer kosten.

Het concert kostte weinig en gaf veel.

Hoeveel heeft de reparatie uiteindelijk gekost?

kosten
kussen kuste heeft gekust

In Frankrijk mag je elkaar ter begroeting kussen.

Hij kuste haar op het voorhoofd voor hij de deur sloot.

Ze hebben elkaar voor het hele kantoor gekust.

küssen
lachen lachte heeft gelachen

Om jezelf zou je vaker moeten lachen.

Ze lachte zo hard dat de buren klopten.

We hebben vanavond veel te weinig gelachen.

lachen
landen landde is geland

Het vliegtuig zal over enkele minuten veilig landen.

Het vliegtuig landde twee uur te laat.

Na drie verhuizingen ben ik in Amsterdam geland.

landen
leggen legde heeft gelegd

Je kunt de sleutel op de tafel leggen.

Hij legde de telefoon op tafel.

Ze heeft alle kaarten op tafel gelegd.

legen
leiden leidde heeft geleid

Een team moet je met geduld en vertrouwen leiden.

Ze leidde de vergadering met rust en subtiele ironie.

Dit orkest is dertig jaar lang door dezelfde persoon geleid.

leiten
leren leerde heeft geleerd

Je zou elke dag iets nieuws moeten leren.

Hij leerde autorijden op zijn dertigste.

Ze heeft veel van haar fouten geleerd.

lernen
letten op lette op gelet op

Op zulke details moet je altijd letten.

Hij lette nooit op zijn uiterlijk tot hij verliefd was.

Op deze school werd altijd sterk gelet op respect.

achten
leven leefde heeft geleefd

Hij wil ooit in het buitenland leven.

Ze leefde twee jaar op een zeilboot.

Hij heeft nooit geleefd zoals hij wilde.

leben
liken likte heeft geliket

Het bericht wil ik het liefst meteen liken.

Ze likte de post en dacht dat dat genoeg was.

Deze post is miljoenen keren geliket en meteen vergeten.

liken
luisteren luisterde heeft geluisterd

Tijdens een gesprek zou je echt moeten luisteren.

Ze luisterde naar hem tot hij gestopt was met excuses zoeken.

Ik heb naar jou geluisterdheb jij naar jezelf geluisterd?

zuhören
maken maakte heeft gemaakt

Dat kunnen we samen maken.

Hij maakte een ernstige fout in de berekening.

Dit schilderij is door een kind gemaakt.

machen
melden meldde heeft gemeld

De schade moet ik meteen bij de verhuurder melden.

Hij meldde de schade meteen bij de verhuurder.

Is het incident bij de politie gemeld?

melden
mengen mengde heeft gemengd

De ingrediënten moet je heel zorgvuldig mengen.

Hij mengde het deeg tot zijn armen pijn deden.

De afspeellijst is willekeurig gemengd maar past toch perfect.

mischen
merken merkte heeft gemerkt

Zo een fout moet je op tijd merken.

Ze merkte het verschil meteen aan de eerste zin.

Ik heb pas vandaag gemerkt dat de kalender nog op maart staat.

merken
missen miste heeft gemist

Het thuisland zul je in de vreemde erg missen.

Ze miste de stilte van haar oude huis in de drukke stad.

Ik heb je meer gemist dan ik wilde toegeven.

vermissen
mogelijk maken maakte mogelijk mogelijk gemaakt

De universiteit wil de toegang voor iedereen mogelijk maken.

Ze maakte voor haar kind een opleiding mogelijk die zijzelf nooit had.

Dit beurs heeft hem de studie mogelijk gemaakt.

ermöglichen
motiveren motiveerde heeft gemotiveerd

Het team wil hij door vertrouwen motiveren.

Ze motiveerde het team niet met woorden maar met daden.

Hoe heb je je na het mislukken opnieuw gemotiveerd?

motivieren
naaien naaide heeft genaaid

Het gat in de jas moet ik nog naaien.

Ze naaide het kostuum in één nacht zonder pauze.

Deze deken is met de hand genaaid door mijn oma.

nähen
nakijken keek na heeft nagekeken

Het resultaat zou je nog eens grondig moeten nakijken.

Ze keek elk zinnetje na voor ze op verzenden drukte.

Is deze bevinding door een tweede arts nagekeken?

prüfen
nakijken keek na heeft nagekeken

De rekening zou je voor het betalen moeten nakijken.

Ze keek elke regel na voor ze doorstuurde.

Is dit door een tweede arts nagekeken?

überprüfen
naleven leefde na heeft nageleefd

De afgesproken tijd moet je altijd naleven.

Hij leefde alle deadlines nabehalve de persoonlijke.

De regels zijn niet consequent nageleefd.

einhalten
nodig hebben had nodig nodig gehad

Zo veel hulp zul je niet nodig hebben.

Hij had drie dagen rust nodig.

Dat hebben we nooit nodig gehad.

brauchen
noemen noemde heeft genoemd

Je zou de dingen bij de juiste naam moeten noemen.

Ze noemde hem twee keer bij de verkeerde naam.

Die moed heeft men later burgerlijkheid genoemd.

nennen
noteren noteerde heeft genoteerd

Het adres moet ik meteen noteren.

Hij noteerde alles, ook wat hij toch niet wilde vergeten.

Heeft u het adres genoteerd?

notieren
observeren observeerde heeft geobserveerd

Het dier mag je alleen op veilige afstand observeren.

Ze observeerde hem vanuit haar ooghoek.

Het gedrag van de dieren is drie jaar lang geobserveerd.

beobachten
oefenen oefende heeft geoefend

Voor het optreden zou je elke dag moeten oefenen.

Ze oefende de speech elke avond.

Hij heeft de route honderd keer geoefend.

üben
onderschatten onderschatte heeft onderschat

De inspanning zou je niet moeten onderschatten.

Hij onderschatte de kluszoals altijd.

Dit werk is jarenlang onderschat.

unterschätzen
ondertekenen ondertekende heeft ondertekend

Het contract moet ik op de laatste pagina ondertekenen.

Hij ondertekende het contract zonder aarzeling.

Hebben alle betrokkenen de overeenkomst ondertekend?

unterschreiben
ondervragen ondervroeg heeft ondervraagd

De getuigen moet de politie afzonderlijk ondervragen.

De journalist ondervroeg meer dan honderd mensen voor dit ene portret.

Zijn de betrokkenen überhaupt ondervraagd?

befragen
onderzoeken onderzocht heeft onderzocht

Het onderwerp moet je van tevoren grondig onderzoeken.

De journaliste onderzocht twee jaar voor twaalf pagina's.

Is deze bewering überhaupt onderzocht?

recherchieren
onderzoeken onderzocht heeft onderzocht

De bevinding moet de arts nog eens onderzoeken.

Ze onderzocht het document op mogelijke vervalsingen.

De zaak is nooit officieel onderzocht.

untersuchen
ontbijten ontbeet heeft ontbeten

In het weekend wil ik rustig ontbijten.

Hij ontbeet staande met zijn jas nog aan.

We hebben vandaag zo lang ontbeten dat het ineens middag was.

frühstücken
ontwijken ontweek heeft ontweek

Een lastige vraag wil hij liever ontwijken.

Ze ontweek elk conflict tot het niet meer ging.

Het onderwerp is in de discussie stelselmatig ontweek.

ausweichen
ontwikkelen ontwikkelde heeft ontwikkeld

Een betere oplossing moeten we nog ontwikkelen.

Hij ontwikkelde een methode die niemand begreepen die toch werkte.

Deze technologie is twintig jaar geleden ontwikkeld.

entwickeln
op reis gaan ging op reis op reis gegaan

In de zomer wil ze spontaan op reis gaan.

Hij ging elk jaar alleen op reis omdat hij het alleen-zijn nodig had.

Ze is vorige maand plotseling op reis gegaanniemand weet waarheen.

verreisen
opdracht geven gaf opdracht opdracht gegeven

Een vakman zou je daarvoor opdracht moeten geven.

Hij gaf een detectivebureau opdrachtwat hij vond betreurde hij.

Wie heeft opdracht gekregen voor het onderzoek?

beauftragen
openen opende heeft geopend

Kun je het raam even openen?

Hij opende de brief met trillende handen.

De nieuwe winkel heeft gisteren geopend.

öffnen
openen opende heeft geopend

Een nieuw account bij de bank wil ik graag openen.

Ze opende de tentoonstelling met drie zinnen en een lang zwijgen.

De nieuwe winkel heeft vorige week geopend.

eröffnen
ophalen haalde op heeft opgehaald

Het pakket wil ik graag bij het station ophalen.

Hij haalde haar stipt om middernacht op.

Het pakket is gisteren bij het station opgehaald.

abholen
oplossen loste op heeft opgelost

Dit probleem moet ik alleen oplossen.

Ze loste het raadsel in minder dan een minuut op.

De knoop heeft zichzelf opgelost.

lösen
opmaken maakte op heeft opgemaakt

Het document moet je uniform opmaken.

Ze maakte het document drie keer op tot het klopte.

De harde schijf is gewist en opnieuw opgemaakt.

formatieren
opmerken merkte op heeft opgemerkt

Zo een fout moet je op tijd opmerken.

Hij merkte pas thuis op dat hij de verkeerde schoenen droeg.

Heeft iemand opgemerkt dat de klok al een uur fout gaat?

beachten / bemerken
opnemen nam op heeft opgenomen

Het gesprek wil ik graag op band opnemen.

Ze nam de melodie op voor ze die vergat.

Hoeveel nieuwe studenten worden dit jaar opgenomen?

aufnehmen
oppassen paste op heeft opgepast

Op de bagage in de trein moet je goed oppassen.

Ze paste op het kind alsof het haar eigen was.

Ik heb niet goed opgepast tijdens de les.

aufpassen
opruimen ruimde op heeft opgeruimd

De kamer moet ik vandaag nog opruimen.

Hij ruimde op alsof schone planken het leven zouden ordenen.

Ik heb vandaag eindelijk de keuken opgeruimd.

aufräumen
opstellen stelde op heeft opgesteld

Een heldere verklaring moet ik nog opstellen.

Hij stelde de reactie in één uur opniemand merkte het.

Het verzoekschrift is door duizend mensen opgesteld.

verfassen
opvoeren voerde op heeft opgevoerd

Het stuk wil de groep op het podium opvoeren.

De school voerde het toneelstuk aan het einde van het jaar op.

Dit werk is al honderd jaar niet meer opgevoerd.

aufführen
opvolgen volgde op heeft opgevolgd

Na enkele dagen zou je nog eens moeten opvolgen.

Hij volgde na drie dagen op zonder verwijt, alleen interesse.

In deze zaak is nooit opgevolgd.

nachfassen
ordenen ordende heeft geordend

De documenten zou je alfabetisch moeten ordenen.

Ze ordende haar papieren alsof dat de situatie zou verbeteren.

De nieuwe archivaris heeft alles opnieuw geordendniets is nog te vinden.

ordnen
organiseren organiseerde heeft georganiseerd

De bijeenkomst wil ik dit keer zelf organiseren.

Ze organiseerde het feest in drie dagen omdat niemand anders het deed.

Het festival is dit jaar door vrijwilligers georganiseerd.

organisieren
organiseren organiseerde heeft georganiseerd

Het feest wil de gemeente dit jaar zelf organiseren.

Ze organiseerde de conferentie met een minimaal budget.

Het festival is voor de derde keer in Amsterdam georganiseerd.

ausrichten
oriënteren oriënteerde heeft georiënteerd

Aan de sterke punten van anderen kun je je goed oriënteren.

Ze oriënteerde zich op het kompas toen de telefoon geen bereik had.

Heeft hij zich na de verhuizing al goed georiënteerd?

orientieren
overdragen droeg over heeft overgedragen

De taak wil hij aan iemand anders overdragen.

Ze droeg de verantwoordelijkheid over aan haar team en liet het ook echt los.

De rechten zijn overgedragen aan een nieuwe uitgeverij.

übertragen
overmaken maakte over heeft overgemaakt

Het bedrag moet ik vandaag nog overmaken.

Hij maakte het bedrag over voor hij de rekening had gelezen.

Het geld is al een week geleden overgemaakt.

überweisen
overnemen nam over heeft overgenomen

De taak wil ze graag overnemen.

Ze nam de taak zonder aarzeling over.

Wie heeft na het ontslag de leiding overgenomen?

übernehmen
overschatten overschatte heeft overschat

De eigen krachten zou je niet moeten overschatten.

Ze overschatte haar krachten flink.

De markt is door alle betrokkenen overschat.

überschätzen
overtikken tikte over heeft overgetikt

De handgeschreven tekst moet ik nog overtikken.

Ze tikte het dagboek van haar moeder over, één pagina per avond.

De tekst is zorgvuldig overgetikt.

abtippen
overtuigen overtuigde heeft overtuigd

Met goede argumenten kun je bijna iedereen overtuigen.

Hij overtuigde haar met drie zinnen en een koffie.

Heeft zijn uitleg je echt overtuigd?

überzeugen
parkeren parkeerde heeft geparkeerd

Hier mag je helaas niet parkeren.

Ze parkeerde de auto half op het trottoir.

Waar heb jij eigenlijk geparkeerd?

parken
plannen plande heeft gepland

De reis wil hij maanden van tevoren plannen.

Hij plande de reis tot in de kleinste details.

Het feest is tot in detail gepland.

planen
poetsen poetste heeft gepoetst

Je moet de badkamer nog voor het weekend poetsen.

Hij poetste het hele appartement voor ze aankwam.

Ik heb de bril vanochtend niet gepoetst.

putzen
posten postte heeft gepost

De foto wil hij op zijn profiel posten.

Hij postte de foto zonder onderschrift.

De verklaring is om middernacht gepost.

posten
praten praatte heeft gepraat

Over dit onderwerp zou je open moeten praten.

Hij praatte de hele avond over zijn reis.

Hij heeft veel gepraat en weinig gezegd.

reden
presenteren presenteerde heeft gepresenteerd

De resultaten moet ik morgen voor het team presenteren.

Hij presenteerde de resultaten zonder PowerPoint.

Het concept is gisteren aan de directie gepresenteerd.

präsentieren
proberen probeerde heeft geprobeerd

Dit gerecht wil ik graag eens proberen.

Ze probeerde elke kaas op de markt tot ze er een lekker vond.

Heb je het nieuwe Thais restaurant al geprobeerd?

probieren
proberen probeerde heeft geprobeerd

Ik wil het minstens één keer proberen.

Hij probeerde het drie keer zonder succes.

Ik heb alles geprobeerdnu is het aan jou.

versuchen
protesteren protesteerde heeft geprotesteerd

Tegen deze beslissing wil hij luid protesteren.

Hij protesteerde luid tegen de beslissing.

Er is hier nog nooit zo luid geprotesteerd.

protestieren
publiceren publiceerde heeft gepubliceerd

Het artikel wil hij binnenkort publiceren.

Ze publiceerde de roman onder een andere naam.

Het rapport is zonder waarschuwing gepubliceerd.

veröffentlichen
rapporteren rapporteerde heeft gerapporteerd

Daarover moet ik morgen in de vergadering rapporteren.

De getuige rapporteerde rustig maar met trillende handen.

Over dit onderwerp is jarenlang niet gerapporteerd.

berichten
reageren reageerde heeft gereageerd

Op kritiek zou je altijd rustig moeten reageren.

Hij reageerde op het bericht heel rustig.

Op de kritiek is nooit publiekelijk gereageerd.

reagieren
recyclen recyclede heeft gerecycled

Oud papier moet je goed recyclen.

Hij recyclede alles, ook dingen die je eigenlijk weggooit.

Het plastic is volledig gerecycled.

recyceln
redden redde heeft gered

Deze patiënt kan alleen een specialist nog redden.

Ze redde het avondeten op het nippertje.

Hij heeft haar het leven geredzonder drama.

retten
regenen regende is geregend

In november zal het hier bijna elke dag regenen.

Het regende zo hard dat geen taxi stopte.

Het heeft vandaag de hele dag geregend.

regnen
reizen reisde heeft/is gereisd

In de zomer wil ze door Zuid-Europa reizen.

Hij reisde alleen door Centraal-Azië.

Ze is naar veertig landen gereisd.

reisen
rekenen rekende heeft gerekend

Met onverwachte kosten moet je altijd rekenen.

Hij rekende er niet op dat ze terugkwam.

Daar heeft niemand op gerekend.

rechnen
repareren repareerde heeft gerepareerd

De oude fiets wil ik zelf repareren.

Hij repareerde de oude radio van zijn oma twee zondagen lang.

De technicus heeft de verwarming eindelijk gerepareerd.

reparieren
reserveren reserveerde heeft gereserveerd

Voor vrijdagavond wil ik een tafel reserveren.

Ze reserveerde de tafel voor vrijdagavond.

Heeft u gereserveerd voor vanavond?

reservieren
riskeren riskeerde heeft geriskeerd

Zo veel geld wil ik niet riskeren.

Hij riskeerde zijn baan voor een overtuiging.

Ze heeft alles geriskeerd en bijna alles gewonnen.

riskieren
roken rookte heeft gerookt

In dit gebouw mag je niet roken.

Ze rookte vroeger bij stress.

Hij heeft sinds zijn bruiloft niet meer gerookt.

rauchen
samenvatten vatte samen heeft samengevat

Het besprokene moet ik even kort samenvatten.

Hij vatte drie uur discussie samen in één zin.

Is het resultaat schriftelijk samengevat?

zusammenfassen
scannen scande heeft gescand

Het document wil ik snel scannen.

Ze scande alle oude foto's voor het archief verhuisde.

Is uw bagage gescand?

scannen
schenken schonk heeft geschonken

Ik wil de oma iets bijzonders schenken.

Ze schonk hem tijd in plaats van dingen.

Het mooiste wat iemand me ooit heeft geschonken, was stilte.

schenken
schilderen schilderde heeft geschilderd

De kinderen mogen vandaag met hun vingers schilderen.

Hij schilderde het portret van zijn moeder uit het geheugen.

Dit aquarel is door een zevenjarige geschilderd.

malen
schilderen schilderde heeft geschilderd

De keukenmuur wil ik in het weekend schilderen.

Ze schilderde de keukenmuur in een krachtig blauw.

De keukenmuur is in een mooie kleur geschilderd.

streichen
selecteren selecteerde heeft geselecteerd

Het passende model moet ik nog selecteren.

Ze selecteerde uit dertig jurken in vier minuten.

De winnaars zijn willekeurig geselecteerd.

auswählen
slagen voor slaagde voor geslaagd voor

Voor dit moeilijke examen moet ik per se slagen.

Hij slaagde voor zijn rijbewijs bij de vierde poging.

Hij is voor het examen bij de vierde poging geslaagd.

bestehen
smaken smaakte heeft gesmaakt

Het eten moet alle gasten goed smaken.

Het brood smaakte naar kindertijd.

Heeft het gesmaakt? — Er bleef geen kruimel over.

schmecken
smeren smeerde heeft gesmeerd

Het brood zou je dik met boter moeten smeren.

Hij smeerde het brood dik met boter.

De scharnieren zijn gesmeerdnu knijpt alleen het geweten nog.

schmieren
sparen spaarde heeft gespaard

Voor de grote reis moet je lang sparen.

Ze spaarde jaren voor een reis die ze uiteindelijk annuleerde.

Waarmee heeft je familie vroeger geld gespaard?

sparen
spelen speelde heeft gespeeld

De kinderen willen de hele dag buiten spelen.

Ze speelde gitaar terwijl het regende.

De band heeft drie uur lang gespeeld.

spielen
spellen spelde heeft gespeld

De achternaam moet ik elke keer weer spellen.

Hij spelde zijn achternaam drie keer.

Het woord is in het dictee door geen enkel kind goed gespeld.

buchstabieren
stellen stelde heeft gesteld

Kun je de vaas op de tafel stellen?

Ze stelde het glas op het raam.

Hij heeft zijn eigen oordeel nooit in vraag gesteld.

stellen
stoppen stopte heeft/is gestopt

De bal moet je op het laatste moment stoppen.

Hij stopte midden in een zin en keek haar aan.

Het bloeden is op tijd gestopt.

stoppen
storen stoorde heeft gestoord

De les mag je absoluut niet storen.

De muziek stoorde de buren heel erg.

Heeft het luide gesprek in het compartiment jou ook gestoord?

stören
streamen streamde heeft gestreamed

Het concert wil ik vanavond live streamen.

Ze streamde het concert vanuit huis.

De film is op het platform gestreamed.

streamen
structureren structureerde heeft gestructureerd

De presentatie moet ik nog beter structureren.

Hij structureerde zijn aantekeningen tot er een rode draad was.

De cursus is opnieuw gestructureerd en nu veel duidelijker.

strukturieren
studeren studeerde heeft gestudeerd

Ze wil in het buitenland studeren.

Ze studeerde vijf jaar lang in Berlijn.

Hij heeft filosofie gestudeerd aan de universiteit.

studieren
sturen stuurde heeft gestuurd

Dit pakket moet ik vandaag nog sturen.

Hij stuurde haar elke dag bloemen tot ze antwoordde.

Wie heeft deze e-mail zonder onderwerp gestuurd?

schicken
tegenspreken sprak tegen heeft tegengesproken

Een onjuiste bewering moet je duidelijk tegenspreken.

Hij sprak haar zakelijk tegenen zij had gelijk.

Deze bevindingen zijn door meerdere partijen tegengesproken.

widersprechen
tekenen tekende heeft getekend

Hij wil het gezicht van zijn dochter tekenen.

Hij tekende haar portret op een servet terwijl ze wachtte.

Deze kaart is door een kind getekendhet hangt nu in een museum.

zeichnen
tellen telde heeft geteld

Het kleingeld zou je aan het einde van de dag moeten tellen.

Ze telde de dagen tot de vakantie als een kind.

Ik heb geteld: hij heeft zeven keer nee gezegd.

zählen
toestaan stond toe heeft toegestaan

Je mag jezelf best een kleine pauze toestaan.

Hij stond zichzelf een lange, zinloze wandeling toe.

Dat was nooit officieel toegestaanmaar ook nooit verboden.

erlauben
toevoegen voegde toe heeft toegevoegd

Aan het einde wil ik nog een notitie toevoegen.

Ze voegde op het laatste moment een zin toe die alles veranderde.

Welke informatie is later toegevoegd?

hinzufügen
tonen toonde heeft getoond

Ik wil je iets belangrijks tonen.

Hij toonde haar zwijgend de deur.

Het experiment heeft verrassende resultaten getoond.

zeigen
trainen trainde heeft getraind

Elke ochtend voor het werk wil hij een uur trainen.

Hij trainde dagelijks voor de marathon.

Het team heeft ondanks blessures verder getraind.

trainieren
trouwen trouwde heeft/is getrouwd

Ze willen in de kleinste kring trouwen.

Ze trouwde in de zomer op een klein eiland.

Mijn ouders zijn veertig jaar geleden getrouwdin de regen.

heiraten
typen typte heeft getypt

De tekst kun je heel snel typen.

Ze typte het antwoord in een oogwenk.

Het resultaat is al in het systeem getypt.

tippen
uitbreiden breidde uit heeft uitgebreid

Het bestaande netwerk wil het bedrijf verder uitbreiden.

Ze breidde haar netwerk gericht uit.

Het spoorwegnet is in deze regio nauwelijks uitgebreid.

ausbauen
uitgaan ging uit is uitgegaan

Op vrijdag wil ze met vriendinnen uitgaan.

Ze ging op vrijdagavond met vriendinnen uit.

Hoe lang ben je gisteravond uitgegaan?

ausgehen
uitleggen legde uit heeft uitgelegd

Dat kan ik je heel eenvoudig uitleggen.

Ze legde het kind geduldig uit waarom de maan niet valt.

De monteur heeft alles uitgelegd maar ik begrijp er nog niets van.

erklären
uitlenen leende uit heeft uitgeleend

Het boek wil ik aan een vriend uitlenen.

Hij leende haar zijn paraplu uit.

Ik heb dit boek aan drie mensen uitgeleendhet is weg.

leihen
uitlichten lichtte uit heeft uitgelicht

Het belangrijkste in de tekst zou je moeten uitlichten.

Ze lichtte de laatste zin in de tekst uit.

In zijn toespraak werd samenwerking bijzonder uitgelicht.

hervorheben
uitnodigen nodigde uit heeft uitgenodigd

De buren wil ik spontaan voor het eten uitnodigen.

Ze nodigde spontaan twintig mensen uit voor een twee-kamer appartement.

We zijn nooit uitgenodigd voor een feest bij hem.

einladen
uitpakken pakte uit heeft uitgepakt

De koffer moet ik na de reis nog uitpakken.

Hij pakte het cadeau zo langzaam uit alsof hij het moment wilde rekken.

Het pakket werd uitgepakt en was kapot.

auspacken
uitprinten printte uit heeft uitgeprint

De dienstregeling moet ik nog even snel uitprinten.

Hij printte het ticket uit hoewel de telefoon erbij was.

Het protocol is uitgeprint en vervolgens blijven liggen.

ausdrucken
uitproberen probeerde uit heeft uitgeprobeerd

Het nieuwe recept wil ik in het weekend uitproberen.

Ze probeerde het nieuwe recept in het weekend uit.

Heb je de nieuwe functie al uitgeprobeerd?

ausprobieren
uitrusten rustte uit heeft uitgerust

In het weekend wil ik lekker uitrusten.

Ze rustte na de wandeling in een klein café uit.

Ik heb het hele weekend uitgerust.

ausruhen
uitschakelen schakelde uit heeft uitgeschakeld

De telefoon moet je 's avonds gewoon uitschakelen.

Hij schakelde de telefoon voor de hele avond uit.

De installatie werd na het alarm meteen uitgeschakeld.

abschalten
uitschakelen schakelde uit heeft uitgeschakeld

Het licht moet je bij het weggaan uitschakelen.

Ze schakelde de radio uit omdat het nieuws haar uitputte.

Is het fornuis uitgeschakeld? — Die vraag stelt zich altijd pas op de snelweg.

ausschalten
uitstappen stapte uit is uitgestapt

Bij de volgende halte moet ik uitstappen.

Hij stapte uit voor iedereen überhaupt zat.

Wanneer ben jij uit dit project uitgestapt?

aussteigen
uitvoeren voerde uit heeft uitgevoerd

Het plan wil hij stap voor stap uitvoeren.

Hij voerde het idee uit hoewel iedereen sceptisch was.

Slechts een fractie van de beschloten maatregelen is uitgevoerd.

umsetzen
uitwerken werkte uit heeft uitgewerkt

Een eigen idee moet je zelf uitwerken.

Het team werkte de oplossing in één lange dag uit.

Deze theorie is tientallen jaren uitgewerkt.

erarbeiten
uitwisselen wisselde uit heeft uitgewisseld

De oude batterijen moet je regelmatig uitwisselen.

Ze wisselde de oude batterijen op tijd uit.

Het hele personeelsbestand is binnen twee jaar uitgewisseld.

austauschen
updaten updatte heeft geüpdatet

Het besturingssysteem moet ik dringend updaten.

Hij updatte het programma en verloor daarbij alle instellingen.

De app is automatisch geüpdatet.

updaten
uploaden uploadde heeft geüpload

De foto wil ik naar de cloud uploaden.

Ze uploadde de video voor ze die opnieuw had bekeken.

Het rapport is tijdig geüpload.

hochladen
vastleggen legde vast heeft vastgelegd

De locatie moeten we van tevoren vastleggen.

Ze legde de gedachte vast voor die vervloog.

In dit document is het besluit vastgelegd.

festhalten
vastleggen legde vast heeft vastgelegd

Het ontmoetingspunt moeten we van tevoren vastleggen.

Hij legde de datum voor maandag vast.

Is het budget al vastgelegd?

festlegen
vaststellen stelde vast heeft vastgesteld

De schade moet de expert nog vaststellen.

Hij stelde vast dat hij nooit echt had geluisterd.

De arts heeft niets ernstigs vastgesteld.

feststellen
vechten vocht heeft gevochten

Voor je overtuiging moet je soms vechten.

Ze vocht tegen de bureaucratie als tegen een draak.

Hij heeft zijn hele leven voor erkenning gevochten.

kämpfen
veranderen veranderde heeft/is veranderd

Aan deze regel wil ik niets veranderen.

Ze veranderde haar plan op het laatste moment.

De verhuizing heeft veel in zijn leven veranderd.

ändern
verbeteren verbeterde heeft/is verbeterd

De eerste versie moet ik nog flink verbeteren.

Hij verbeterde de tekst zo vaak dat er geen origineel woord meer over was.

De levenskwaliteit in de stad is merkbaar verbeterd.

verbessern
verdedigen verdedigde heeft verdedigd

Het eigen standpunt moet je soms verdedigen.

Hij verdedigde zijn beslissing kalm en overtuigend.

De these is succesvol verdedigd voor de commissie.

verteidigen
verdelen verdeelde heeft verdeeld

De kosten zou je eerlijk moeten verdelen.

Hij verdeelde de rekening gelijkmatig.

De kosten zijn gelijkmatig verdeeld.

aufteilen
verdienen verdiende heeft verdiend

Dat respect moet je eerst zelf verdienen.

Ze verdiende meer dan hij en niemand sprak erover.

Hij heeft deze onderscheiding echt verdiend.

verdienen
verduidelijken verduidelijkte heeft verduidelijkt

Het misverstand zou je persoonlijk moeten verduidelijken.

Hij verduidelijkte de situatie met drie rustige zinnen.

Is er inmiddels verduidelijkt wie er verantwoordelijk voor is?

klären
vereenvoudigen vereenvoudigde heeft vereenvoudigd

Het proces wil de afdeling flink vereenvoudigen.

Ze vereenvoudigde de uitleg tot ook kinderen het begrepen.

De procedure is aanzienlijk vereenvoudigd.

vereinfachen
vergelijken vergeleek heeft vergeleken

De prijzen zou je voor de aankoop altijd moeten vergelijken.

Hij vergeleek beide aanbiedingen en koos toch verkeerd.

Deze techniek is intensief vergeleken met oudere methoden.

vergleichen
verheugen verheugde heeft verheugd

Over het kleine cadeautje zal ze zich erg verheugen.

Hij verheugde zich zo erg dat hij niets kon zeggen.

Ik heb me nog nooit zo op een maandag verheugd.

freuen
verhinderen verhinderde heeft verhinderd

Dit ongeluk kun je door oplettendheid verhinderen.

Hij verhinderde de ruzie met één enkele zin.

De schade is niet op tijd verhinderd.

verhindern
verkopen verkocht heeft verkocht

De oude auto wil hij eindelijk verkopen.

Ze verkocht haar motor met een traan in het oog.

Het album heeft zich in de eerste week meer dan een miljoen keer verkocht.

verkaufen
verminderen verminderde heeft verminderd

Het energieverbruik wil het bedrijf flink verminderen.

De gemeenteraad verminderde het budget drastisch.

De CO₂-uitstoot is met dertig procent verminderd.

reduzieren
vermoeden vermoedde heeft vermoed

Zoiets kan toch niemand van tevoren vermoeden.

Ze vermoedde dat de avond niet goed zou aflopen.

Dat heeft niemand vermoedzelfs de experts niet.

ahnen
verschuiven verschoof heeft/is verschoven

De afspraak wil ik naar volgende week verschuiven.

Ze verschoof het moeilijke gesprek naar volgende week.

De deadline is twee keer verschoven.

verschieben
verspreiden verspreidde heeft verspreid

Het nieuws wil ze zo snel mogelijk verspreiden.

Ze verspreidde het goede nieuws voor de officiële verklaring er was.

Dit beeld is miljoenen keren verspreiden het was nep.

verbreiten
vertalen vertaalde heeft vertaald

De brief moet ik nog naar het Nederlands vertalen.

Ze vertaalde de brief van haar overgrootvader uit het Pools.

Dit boek is in meer dan dertig talen vertaald.

übersetzen
vertellen vertelde heeft verteld

Dit verhaal moet ik je per se vertellen.

Ze vertelde het verhaal elke keer net anders.

Heb je hem verteld wat er echt is gebeurd?

erzählen
vertragen vertraagde heeft/is vertraagd

De start zou je niet onnodig moeten vertragen.

Hij vertraagde het antwoord tot de situatie zich oploste.

De levering is door slecht weer vertraagd.

verzögern
vervullen vervulde heeft vervuld

Een lang gekoesterde wens wil hij eindelijk vervullen.

Hij vervulde de verwachtingen van anderen, niet die van zichzelf.

Zijn grootste wens is op zijn verjaardag vervuld.

erfüllen
verwachten verwachtte heeft verwacht

Het beste mag je altijd verwachten.

Ze verwachtte niets van deze dag en hij werd prachtig.

Dat hebben we niet verwachtniet het goede en niet het slechte.

erwarten
verwelkomen verwelkomde heeft verwelkomd

De gast zou je altijd hartelijk moeten verwelkomen.

Ze verwelkomde iedereen afzonderlijkook al waren het er honderd.

De beslissing is door alle betrokkenen verwelkomd.

begrüßen
verzamelen verzamelde heeft verzameld

Oude postzegels wil hij al jaren verzamelen.

Hij verzamelde stenen als kinden doet het stiekem nog.

De groep heeft meer dan duizend handtekeningen verzameld.

sammeln
verzorgen verzorgde heeft verzorgd

De tuin moet je regelmatig verzorgen.

Hij verzorgde zijn oude vader jarenlang.

Deze tuin is met grote zorg verzorgd.

pflegen
vieren vierde heeft gevierd

Elk klein succes zou je moeten vieren.

Ze vierde haar verjaardag in kleine kring.

Dit moment hebben we lang verwachtnu is het gevierd.

feiern
voelen voelde heeft gevoeld

Het zachte mos onder je handen wil ik graag eens voelen.

Ze voelde dat er iets niet klopte voor iemand sprak.

Hij heeft zich in deze baan nooit echt op zijn plek gevoeld.

fühlen
volgen volgde heeft/is gevolgd

Je moet de aanwijzingen op het bord gewoon volgen.

Ze volgde de geur van koffie door de hele stad.

Hij heeft het gesprek maar half gevolgd.

folgen
voorkomen voorkwam heeft/is voorkomen

Door regelmatige beweging kun je klachten voorkomen.

Hij voorkwam het conflict met één enkele zin.

Is het probleem tijdig voorkomen?

vorbeugen
voorstellen stelde voor heeft voorgesteld

Op de eerste dag moet je je even kort voorstellen.

Hij stelde zich voor aan de nieuwe collega.

Heb je je al voorgesteld hoe dat er over vijf jaar uitziet?

vorstellen
voorstellen stelde voor heeft voorgesteld

Een andere oplossing wil ik graag voorstellen.

Hij stelde zich voor aan de nieuwe collega.

Wie heeft deze naam oorspronkelijk voorgesteld?

vorschlagen
voortzetten zette voort heeft voortgezet

Het onderbroken werk wil hij morgen voortzetten.

Hij zette het werk van zijn vader voort zonder gevraagd te zijn.

Het gesprek is na de pauze nooit meer voortgezet.

fortsetzen
vragen vroeg heeft gevraagd

Je mag me altijd alles vragen.

De journalist vroeg hem drie keer hetzelfde.

Niemand heeft mij dat ooit gevraagd.

fragen
vragen vroeg heeft gevraagd

De arts wil ik om een tweede mening vragen.

Hij vroeg haar om wat meer geduld.

Ik heb er nooit om gevraagdmaar het was toch juist.

bitten
wachten wachtte heeft gewacht

Daarop moet je soms lang wachten.

Ze wachtte op het perron, maar de trein kwam niet.

Ik heb een uur in de regen op hem gewacht.

warten
wakker maken maakte wakker wakker gemaakt

De slaper zou je heel zachtjes wakker moeten maken.

Ze maakte hem om vijf uur wakkerzijn trein vertrok om zes uur.

Ik ben vandaag door mijn eigen alarm wakker gemaakt.

aufwecken
wakker worden werd wakker wakker geworden

In het weekend wil ik zonder wekker wakker worden.

Hij werd wakker van het lawaai buiten.

Ik ben vannacht drie keer wakker geworden.

aufwachen
wandelen wandelde is gewandeld

Op zondagochtend wil ze in het park wandelen.

Ze wandelde op zondagochtend door het park.

Ik heb na de ruzie een uur gewandeld.

spazieren
wassen waste heeft gewassen

De handen moet je voor het eten grondig wassen.

Hij waste de auto terwijl zij sliep.

Dit hemd mag alleen op 30 graden gewassen wordenhet is op 60 gewassen.

waschen
weergeven gaf weer heeft weergegeven

De inhoud moet ik in eigen woorden weergeven.

Ze gaf het gesprek zo precies weer alsof ze had meegeschreven.

De uitspraken zijn in het verslag woordelijk weergegeven.

wiedergeben
wensen wenste heeft gewenst

Ik wil me niets voor mijn verjaardag wensen.

Hij wenste zich niets liever dan stilte.

Dat heeft niemand zo gewensthet is gewoon gebeurd.

wünschen
werken werkte heeft gewerkt

Ik wil vandaag niet zo lang werken.

Ze werkte de hele nacht aan het rapport.

Hij heeft jarenlang bij dezelfde firma gewerkt.

arbeiten
wisselen wisselde heeft gewisseld

Van onderwerp zou je op het juiste moment moeten wisselen.

Hij wisselde zo snel van onderwerp dat niemand kon volgen.

Ze heeft drie banen in een jaar gewisseld en spijt van niets.

wechseln
wonen woonde heeft gewoond

Hij wil in een rustige buurt wonen.

Hij woonde drie jaar in een kleine kamer zonder raam.

Ze heeft nooit buiten haar woonplaats gewoond.

wohnen
zeggen zei heeft gezegd

Dat moet ik je per se zeggen.

Hij zei geen woord de hele avond.

Heb je haar eindelijk de waarheid gezegd?

sagen
zich bevinden bevond zich zich bevonden

In een moeilijke situatie kun je je snel bevinden.

De commissie bevond de handelwijze rechtmatig.

Hoe heeft hij zich na de ingreep bevonden?

befinden
zoeken zocht heeft gezocht

We moeten nog een oplossing voor het probleem zoeken.

Ze zocht urenlang naar het juiste woord.

Hij heeft zijn hele leven erkenning gezocht.

suchen
zoomen zoomde heeft gezoomd

Het beeld wil ik nog iets dichterbij zoomen.

Hij zoomde zo dichtbij dat het beeld wazig werd.

De vergadering werd gezoomdeen neologisme van onze tijd.

zoomen
zorgen zorgde heeft gezorgd

Voor je eigen gezondheid moet je zelf zorgen.

Hij zorgde ervoor dat iedereen op tijd op de hoogte was.

Mijn moeder heeft er altijd voor gezorgd dat niemand hongerig naar bed ging.

sorgen